Irritantste woord van het jaar?

Door Robert Chamalaun


Eergisteren maakte het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) bekend dat de verkiezing voor het irritantste woord van het jaar gewonnen is door het foutief gebruik van het woord me. 30 procent van de 25.000 stemmen ging naar meen daarmee is het woord de overtuigende verliezer van dit jaar. Dit nieuws is opgepikt door diverse media en in vrijwel alle reacties en commentaren is te lezen dat de meeste mensen echt wel begrijpen dat me geen bezittelijk voornaamwoord is. De vraag is dan natuurlijk wel waarom mensen toch me moeder en me vader zeggen, en vooral schrijven.

Allereerst is van belang onderscheid te maken tussen de verschillende vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Afhankelijk van de positie in de zin, moet je kiezen voor ofwel de onderwerpsvorm ofwel de voorwerpsvorm. De meeste persoonlijke voornaamwoorden hebben naast een volle vorm zoals jij, wij, zij, ook een gereduceerde vorm zoals je, we, ze. Sommige persoonlijke voornaamwoorden hebben helemaal geen afzonderlijke volle en gereduceerde vorm, zodat ze in alle posities in dezelfde vorm worden geschreven en uitgesproken. Denk aan voornaamwoorden als jullie en ons. Voor de bezittelijke voornaamwoorden geldt dat deze eveneens een volle vorm en een gereduceerde vorm kennen. Zo hebben we mijn en jouw met de gereduceerde varianten m’n en je. Er zijn slechts enkele bezittelijke voornaamwoorden die alleen in volle vorm voorkomen (uw, ons, onze).

Ten tweede is de keuze voor de volle of de gereduceerde vorm onder andere afhankelijk van de vraag of het voornaamwoord in een beklemtoonde positie staat of niet. In gesproken taal kan in een beklemtoonde positie alleen een volle vorm worden gebruikt. Denk aan een zin als “Niet hij, maar zij heeft die vraag gesteld”. Zodra het voornaamwoord in een onbeklemtoonde positie staat, wordt vaak een gereduceerde vorm uitgesproken. Denk aan een zin als “Hij weet dat hij morgen een belangrijk examen heeft”. Hier kan hij uitgesproken worden als [‘ie’], maar natuurlijk ook als volle vorm [‘hij’].

Dat we in gesproken taal vaker kiezen voor gereduceerde vormen als de voornaamwoorden in onbeklemtoonde posities staan, is niet zo vreemd. Sommige gereduceerde vormen worden zelfs ook vaker weergegeven in geschreven taal dan andere. Dit is ook wel begrijpelijk, want overmatig gebruik van volle vormen in onbeklemtoonde posities, zorgt ervoor dat zowel de geschreven als de gesproken taal onnatuurlijk wordt. In die geschreven taal komen vormen als je, ze, we en me overigens wel vaker voor dan bijvoorbeeld ie, ‘k en ’t. We hebben hoe dan ook een lichte voorkeur voor gereduceerde vormen.

Het woordje me is echter geen gereduceerde vorm van het bezittelijk voornaamwoord mijn. Hooguit kun je zeggen dat er verwarring optreedt met de gereduceerde vorm van het persoonlijk voornaamwoord mij. Uit de commentaren in de media komt in ieder geval vooral naar voren dat mensen het foutief gebruik van me zien als een vorm van taalverloedering. Of dat zo is kun je je afvragen (zie voor verdieping Bennis, Cornips & Van Oostendorp, 2004). Je kunt bovendien gerust stellen dat slechts 25.000 stemmen uitgebracht zijn en dat de van de standaardtaal afwijkende vormen gelukkig niet bij iedereen in dezelfde mate ergernis opwekken.

Bennis, H., Cornips, L. & Van Oostendorp, M. (2004). Verandering en verloedering. Amsterdam: University Press Salomé.