Talen maken in een ideale wereld

Door Marc van Oostendorp


In mijn ideale wereld zou er natuurlijk veel meer aandacht zijn voor taal. De radio en de tv zouden iedere dag enkele programma’s hebben over taal: een uur op prime time voor de nieuwste taalwetenschappelijke ontdekkingen – want daarvan waren er in de ideale wereld iedere dag een paar –, een half uur voor de nieuwste gedichten en korte verhalen, een kwartier voor de nieuwe woorden van de dag, 7,5 minuut voor de Michiel de Vaan van de ideale wereld voor de etymologie van een woord. Je kon ook met vrijwel iedereen vreemdeling in een bushoekje een conversatie over die onderwerpen beginnen.

Op iedere straathoek was een taalcafé gevestigd, waar je binnen kon gaan en een vreemde taal oefenen. Tijdens verkiezingen zouden politici, een beetje populistisch, prat gaan op hun uitgebreide talenkennis. De cursussen, de populaire boeken, de middelbare en hogere opleidingen op allerlei taalkundig gebied waren niet aan te slepen.


Tv-serie

Wat ik zou zijn in deze ideale wereld: directeur van de Academie voor Taalcreatie, een technische opleiding voor mensen die niet voldoende theoretische bagage hebben om echte taalkundigen te worden (het meest prestigieuze beroep), maar wel zo artistiek en creatief dat ze met hun taaluitvindingen het publiek steeds weer wisten te verbluffen.

Op de AvT zou het onlangs verschenen boek The Art of Language Invention van David J. Peterson verplichte kost zijn voor de eerstejaars. Peterson is (in onze echte wereld) de uitvinder van onder andere het Dothraki, de taal die gesproken wordt in de tv-serie Game of Thrones, en daarnaast van nog enkele andere fantasietalen voor tv-series. In dit boek zet hij uiteen hoe je dat doet, een taal maken voor een tv-serie.

Herkenbaar

Hij zet daarbij een heleboel taalkundige kennis op een rijtje. Spelenderwijs leert de lezer een heleboel over de fonologie, de morfologie en de syntaxis van (niet-bedachte) talen op de wereld: hoeveel klinkers en medeklinkers je moet hebben en wat daar de mogelijkheden zijn voor de menselijke én de niet-menselijke mond, wat voor naamvallen je zoal kunt hebben, hoe talen ruimtelijke relaties uitdrukken en wat precies ergativiteit is – dat laatste vindt Peterson zelf kennelijk zo ingewikkeld dat hij op verschillende plaatsen in het boek grapjes maakt over het feit dat hij het überhaupt aan de orde durft te stellen.

Hij geeft ook voorbeelden van hoe hij zulke kennis heeft gebruikt bij het maken van zijn talen, die dus altijd bedoeld waren voor tv. Dat leverde speciale problemen op: zo blijken tv-makers het minder prettig te vinden als eigennamen in de taal voor allerlei naamvallen verboden worden. De namen worden daar minder herkenbaar van voor de kijkers.

Glimp

Het feit dat het film-talen zijn, zal ook wel de reden zijn waarom de verschillende lagen van betekenis, en conversatiestructuur, en culturele invloed er betrekkelijk bekaaid vanaf komen. Die dingen worden niet bepaald door de taalmaker, maar door de schrijver en de regisseur. De maker houdt zich alleen bezig met de technische, formele kanten van de taal.

Peterson toont zich ook herhaaldelijk schatplichtig aan, en verbonden met, de grote groep amateur-taalmakers op het internet, die met elkaar discussiëren over de talen die ze maken, die van elkaar leren en zo aan hun talen slijpen zonder dat deze ooit gebruikt worden in een dure film of een tv-serie. Hij zegt dat hij hoopt dat meer van hen de kans krijgen met schrijvers samen te werken; maar dat lijkt me toch meer een wens voor een onrealistisch andere wereld. In de onze hebben we in ieder geval dit boek, die er een glimp van geeft.

David J. Peterson. The Art of Language Invention. From Horse-Lords to Dark Elves, the Words Behind World-Building. New York: Penguin, 2015. Bestellen bij de uitgever