Steeden vollickrijck

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (46)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

(Geen kalasjnikovs zullen ons verhinderen het allerkleinste te blijven horen.)

Wanneer klinkt er precies een klinker? Gelukkig voor de dichters is dat niet altijd even duidelijk: op het moment dat de vaste regel wordt dat onbeklemtoonde en beklemtoonde klinkers elkaar vast moeten opvolgen, wordt het korset nogal strak, en dan is het prettig als er hier en daar een extra knoopje aan het korset zit.

P.C. Hooft wist zulke muziek te maken van zijn sonnetten dat je niet eens opvalt hoe zorgvuldig hij hier en klinkertje wegpoetst, en er daar een juist naar voren haalt:

Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen
  Sijn handt, en beurt om hooch aensienlijck wter Zee
  Sijn wtgespreide pruick van levend goudt, waermee
  Hij naere anxtvallicheit, en vaeck, en creple dróómen
Van ’s menschen lichaem strijckt, en berch, en bos, en bóómen,
  En steeden vollickrijck, en velden met het vee
  Jn duisternis verdwaelt, ons levert op haer stee,
  Verheucht hij, met den dach, het Aerdtrijck en de stroomen:
Maer d’ andre starren als naeijvrich van sijn licht,
  Begraeft hij, met sijn glans, in duisternissen dicht,
  En van d’ ontelbre schaer, mach ’t niemand bij hem houwen.
Al eveneens, wanneer vw Geest de mijne roert,
  Word jck gewaer dat ghij in ’t haijlich aenschijn voert
  Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d’ andre vrouwen.



Het lidwoord de wordt altijd geschreven als d’ wanneer het volgende woord met een klinker begint. De e aan het eind van naere wordt voor anxtvallicheid wel geschreven, al moet je hem niet uitspreken wanneer je het gedicht wil laten lopen. Ook binnenin een woord kan een e‘tje weggelaten worden, en in dat geval verschijnt er niet eens een apostrof (creple, andre).

Het wordt aan de andere kant soms voluit geschreven én uitgesproken, ook voor een woord dat met een klinker begint (het Aerdtrijck) en soms geschreven als een enkele medeklinker en ook zo uitgesproken (’t haijlich aenschijn). Zoiets geldt ook voor des (de Vorst des lichts, ’s menschen lichaem). De mannelijke lijdendvoorwerpsvorm den (den dach) krijgt aan de andere kant altijd een volwaardig plaatsje – zij het altijd onbeklemtoond – in het metrisch schema.

Dat zijn allemaal klinkers die er normaliter staan maar omwille van het metrum kunnen worden weggelaten. Het omgekeerde beginnen dichters in Hoofts tijd ook te doen, zoals te zien is in volkrijk dat geschreven is vollickrijck. In vergelijking met de moderne spelling kent die van Hooft 50% meer letters, maar alleen de klinker i betekent ook iets voor de klank: volk moet je in dit gedicht lezen als twee lettergrepen.

Door het vaste schema werden dichters dus gedwongen nauwkeurig te luisteren naar wat er wel of niet toe doet – welke klinkers je per se moest uitspreken en welke je ook wel mocht weglaten. En doordat wij erop kunnen vertrouwen dat iemand als Hooft zich aan de schema’s hield, kunnen wij als het ware met hem meeluisteren en iets horen van het zeventiende-eeuwse Nederlands.