Verlooren en wedergevonden vriendschap

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (42)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Er is een tijd geweest dat woorden zowel mannelijk als vrouwelijk konden zijn in het Nederlands. In sommige Nederlandse dialecten duurt die situatie nog steeds voort, maar uit de standaardtaal is ze helaas verdwenen.

We vinden die tweeslachtigheid bijvoorbeeld in een sonnet van Katharina Lescailje (1649-1711):

Verlooren en wedergevonden vriendschap

Wanneer de vriendschap op het aardryk scheen verlooren,
Zocht myn verliefde geest haar op van stad, tot stad,
En vloog door land en zee; maar nergens was die schat
Aan bergen, bosch of beek: dies scheen haar val beschooren.

’t Gerucht van haaren dood drong zelfs al in myn ooren,
Wyl snoô geveinsdheid reeds op haaren zetel zat.
Toen viel myn droevig hart, van zoeken afgemat,
In wanhoops duisterheid: want niets kon my bekooren.

Doch eindelyk verscheen aan my dat Godlyk licht,
In Sara, die de deugd en trouw in ’t aangezicht,
En waare vriendschap heeft in ’t oog en hart geslooten.

Dus licht zy als de Zon in d’ opgang van haar Jeugd,
En smelt en mengt myn ziel, als ze ontfonkt in vreugd:
Dus bloeit ze met de haare in nieuwe vriendschapslooten.


Het gaat hier natuurlijk om het woord haaren in de vijfde regel. Dat woord verwijst aan de ene kant naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord, namelijk vriendschap: dat is het woorddeeltje haar. Tegelijkertijd verwijst het naar een mannelijk zelfstandig naamwoord, namelijk dood: dat is de verbuiging -en.

Die verbuiging was óók een naamvalsverbuiging en als zodanig was ze in Lescailjes tijd al uit de spreektaal verdwenen; maar ook in het gesproken Nederlands werd er nog wel verschil gemaakt tussen een vrouwelijk-vrouwelijk hare en een tweeslachtig haar. Zoals het dat in enkele Nederlandse dialecten nog steeds doet. Het woordgeslacht trekt zich weliswaar (heel) langzaam terug uit ons taalgebied, en is met name in de Randstad eigenlijk al verdwenen, maar in veel traditionele dialecten leeft het nog voort. En in sommige daarvan gebeurt dat zelfs nog als uitgang op bezittelijk voornaamwoorden die van zichzelf al mannelijk of vrouwelijk zijn.

Er zit in die frase haaren dood trouwens nóg een geslachtelijke ambiguïteit verborgen: dat is het woord dood zelf. Hoewel de dood in andere Germaanse talen een onverhuld mannelijk verschijnsel is (der Tod), was het vrouwelijk geslacht volgens het MNW in de middeleeuwen in het Nederlands ‘het gewone’. We zeggen trouwens nog steeds ter dood veroordelen in plaats van ten dood veroordelen, hoewel we tegelijk ook weer zeggen op straffe des doods en niet op straffe der dood.

En zo zit er op het moment dat Lescailje dichtte heel wat geslachtelijke chaos verborgen in het zinsdeel haaren dood.

Ik kopieerde het sonnet van Katharina Lescailje uit de bloemlezing van Komrij.