Onseker hoop

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (44)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Dat de metriek van P.C. Hooft bijna perfect was, durfde ik vorige week op deze plaats te beweren. Binnen enkele decennia had de regelmatig afwisselende versregel de Nederlandse poëzie veroverd, en P.C. Hooft was er al meteen de meester in – het is een beetje zoals Cervantes een van de eerste romanschrijvers was en meteen ook een van de beste, of Buster Keaton een van de eerste filmmakers, en meteen de grappigste. 

Meestal schreef P.C. Hooft zogenoemde alexandrijnen: dat waren versregels die losjes gemodelleerd waren op een Frans model waarin iedere regel twaalf lettergrepen had, met precies in het midden een zogenoemde cesuur: de zesde en de zevende lettergreep behoorden nooit tot hetzelfde woord.

In het Nederlands gold die laatste eis ook, maar waren de lettergrepen verder gegroepeerd in duidelijke afwisselingen van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen; iets wat in het Frans niet goed mogelijk is, omdat het Frans woorden nauwelijks beklemtoont (het legt alleen klemtoon op de laatste lettergreep van een bij elkaar horende groep woorden). Een combinatie van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep heet een jambe.  Een Nederlandse alexandrijn bestond dus uit zes jambes (met na de derde jambe een cesuur).

Pas veel, veel later (eigenlijk pas in de negentiende eeuw) zou in Nederland de versregelvorm populair worden die in Engeland inmiddels populair was gemaakt door onder andere William Shakespeare: die van de vijfvoetige jambe, met dus vijf in plaats van zes voeten.

Toch werd die vorm ook in de zeventiende eeuw al een enkele keer gebruikt, ook door Hooft:

Mijns Aventuirs voorspoock, fatael rappier
  Beeldtrijck gesmeet van constich meesters handen
  Ghij quaemt tot mijn wt vreemd’ en verre landen
  Door schicking gods en sonderling bestier.
Want Curtius in v knoop aenschouw ick hier
  Die sich om roem, willich ter doot vermanden,
  Soo moet ick nu om grootsche schoonheit branden,
  En wierp mijn selfs hoochdragend’ in het vier.
Had doch Vulcaan dit beelt de spraeck gegeven
  Jck was door sijn waerschouwing vrij gebleven
  Maer sprack het nu, soo meldent tranen heet
Onseker hoop en alteseker duchten
  Vergeefsche ganck, en vruchteloose suchten,
  Daer geen gesel dan mijn Rappier van weet.

De versvorm is hier lichtelijk anders dan die van de Shakespeareaanse (en modern Nederlandse) jambische pentameter (penta betekent vijf in het Grieks), omdat ook hier een cesuur in zit, en wel tussen de vierde en de vijfde lettergreep. Tel maar na: daar staat altijd een spatie. Dat geldt ook voor de paar andere gedichten die Hooft in deze vorm geschreven heeft.

Ook die vorm kwam uit het Frans, waar de dekasyllabe – deka betekent tien in het Grieks – aan dezelfde eis voldeed. Het is een van de vele aanwijzingen dat de Nederlandse dichtkunst zich vooral op Franse voorbeelden modelleerde, en niet op bijvoorbeeld Italiaanse. In de laatste moesten de vierde en de vijfde lettergreep juist samen in een woord staan. Die vorm heeft bij mijn weten geen enkele Nederlandse dichter ooit geprobeerd.