Waarom schrijven psychologen geen boeken?

Door Marc van Oostendorp


Hij lijkt wel een parodie, de brief die de Leidse psychologe Fenna Poletiek afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad plaatste – een parodie op de intellectuele crisis waarin haar vakgebied verkeert. Dat heel veel onderzoek in zogenoemde ‘internationale toptijdschriften’ niet-repliceerbaar is, zoals onlangs bleek – in nog niet gerepliceerd onderzoek –, is slechts de zoveelste slag die het vak wordt toegebracht.

Voor de geïnteresseerde buitenstaander is het duidelijk wat de oorzaak van de crisis is: pyschologen schrijven geen boeken. Ze vinden dat te weinig wetenschappelijk, zonder dat ooit duidelijk is wát er zo onwetenschappelijk is aan een boek. Ja, bèta’s schrijven ook niet zoveel boeken, maar bèta’s hebben dan ook al een uitgebreid theoretisch kader opgebouwd in de loop der eeuwen. Bovendien kijken bèta’s geloof ik niet zo absurd neer op boeken als sociale wetenschappers doen.
Er wordt, zo krijg je de indruk, te veel gemeten en te weinig nagedacht in grote delen van de psychologie.
Heel veel psychologen voeren eindeloze reeksen experimenten uit die vast vaak heel zorgvuldig gepland en uitgevoerd zijn, maar die zelden of nooit in een zwaar theoretisch kader staan. Waar zou dat kader ook vandaan moeten komen? Om het te ontwikkelen heb je een langere adem nodig – langer dan het wetenschappelijke artikel dat van psychologen ook maar één vorm mogen hebben om wetenschappelijk te zijn: inleiding-methode-resultaten-bespreking. Men zit gevangen in té veel kaders, té veel methodologische zekerheden, té veel meetbaarheid voor een vak dat iets bestudeert dat zo weinig wordt begrepen als de menselijke psyche.
Voor veel psychologen is de wetenschap teveel een vak en te weinig een sprong in het duister.
Dat blijkt ook uit de reacties die er nu komen op de huidige problemen. Die reacties zijn er vooral op gericht om allerlei procedures in te richten om allerlei onderzoek te laten repliceren: net alsof een bevinding die twee keer wordt gedaan daarmee ineens interessant is geworden. Ja, je krijgt er vast meer feitjes uit die je ‘zeker’ weet, die je ‘wetenschappelijk hebt bewezen’; maar het blijft een stapel zielloze weetjes zonder verband.
Poletiek – aan haar publicatielijst te zien doet ze serieus onderzoek al schrijft ze nooit een boek – zoekt het een andere kant op. Volgens haar moet het ‘huidige beloningssysteem’ worden ‘herzien’, en wel door de invoering van het ‘Weddenschapsmodel voor wetenschapsbeoefening’ van de Groningse psycholoog Wim Hofstee. Voortaan moeten onderzoekers met elkaar van te voren weddenschappen aangaan over de uitkomsten van experimenten die ze samen uitvoeren. Zo houden ze mekaar in de gaten, want zo staat er wat op het spel.
De diagnose lijkt me juist: er moet voor de beoefenaren van een vaak meer op het spel staan dan een grappige bevinding die je een publicatie oplevert en mogelijk media-aandacht. Maar hoe treurig is een vak eraan toe waarin de beoefenaren met elkaar moeten wedden om iets op het spel te laten staan. “Wie vaak wint”, schrijft Poletiek, “krijgt onderzoekssubsidies, een snel stijgende loopbaan, volgers en komt op tv”.


Je zou denken dat er eigenlijk altijd iets op het spel moet staan bij een experiment: een theorie wordt getoetst, en idealiter is dat een theorie met aanhangers én tegenstanders, die allebei geïnvesteerd hebben in de opbouw en de voorspellingen van die theorie. Bijvoorbeeld omdat ze er een boek over geschreven hebben.