Met zijn vijfjes

Door Marc van Oostendorp


Zoals je mensen hebt die op een doorregende grijze dag tegen het grijze beton van de grijze gebouwen gegarandeerd een zeldzaam grijs vogeltje zien, zo zijn er mensen die aan de Nederlandse taal steeds weer nieuwe dingen weten te ontlokken.

Mijn college Gertjan Postma is zo iemand – hij weet je gegarandeerd te wijzen op dingen die je als moedertaalspreker al je hele leven wist, maar waar je altijd overheen gekeken hebt. Gisteren gaf hij een lezing op het congres van de Societas Linguistica Europaea, waarin hij liet zien dat de taal soms anders omgaat met kleine getallen dan met grote.

Een klein voorbeeld – zo’n voorbeeld dat hij dan even tussen neus en lippen noemt – is dat je wel kunt zeggen met z’n tweetjes, met z’n drietjes en met z’n viertjes, maar dat het daarna snel is afgelopen. Met Google vind je nog wel een handjevol met z’n vijfjes, zesjes en zeventjes, maar die vormen klinken raar, en staan ook niet in verhouding tot de hoeveelheden met z’n vijven, zessen en zevenen die je vindt.

Maar dat was niet de hoofdmoot. Die ging over alle twee de boeken tegenover alle eenentwintig boeken. In het eerste geval moet je de invoegen (alle twee boeken klinkt raar), maar in het tweede geval mag dat niet (alle eenentwintig de boeken klinkt net zo raar). Wanneer gebruik je wel of niet de? Er is hier sprake van een soort schaal: hoe kleiner het getal, hoe groter de voorkeur voor de. Bij twee, drie of vier is de nog verplicht, daarna is hij dat tot ongeveer twaalf niet meer, al blijft hij wel mogelijk, maar vanaf dertien kan hij eigenlijk niet meer.

Twaalf de boeken

Dit alles was overigens al wel bekend en lijkt bijvoorbeeld ook onafhankelijk te zijn aangevoeld door de Taaladviesdienst van Onze Taal. Postma liet zien dat er los daarvan nog een andere rol speelt: mensen vinden alle tien de boeken meestal beter klinken dan alle negen de boeken. Misschien is dat omdat tien als een soort overzichtelijke eenheid wordt beschouwd (en daarmee als een soort ‘klein getal’), maar waarschijnlijker speelt ook een ritmische factor een rol: tien de boeken geeft een mooie afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, terwijl negen de boeken twee toonloze e’s op een rij heeft. Er was onder Postma’s informanten ook een tweedeling: mensen die eləf en twaaləf zeiden, waren minder geneigd om daarna nog de te zeggen dan degenen die elf en twaalf zeiden.

Het is, kortom alsof zowel telwoorden die te kort zijn (slechts één lettergreep) als telwoorden die een te laag getal aanduiden nog een extra de nodig hebben om op te steunen in deze constructie. Het is volgens Postma dan ook geen toeval dat kleine getallen allemaal éénlettergrepig zijn, terwijl grote getallen dat niet zijn. Honderd en duizend komen oorspronkelijk van de kortere vormen hond en duiz, maar kregen toen ze hun concrete betekenis van 100 en 1000 kregen er een lettergreep bij: de vorm van het woord weerspiegelt zijn betekenis.