Een gebaar is geen woord

Door Marc van Oostendorp


Juristen leven in een heel andere wereld dan ik. Een heleboel discussies die deze lieden voeren gaan natuurlijk over taal – de interpretatie van dit of dat woord, van deze of gene zinsnede –, maar het soort argumenten dat ze daarbij gebruiken lijkt in geen velden of wegen op wat ik zelfs maar herken als een bijdrage aan een discussie.

Een artikel in NRC Handelsblad van vorige week staat vol instructief materiaal. Een Arnhemse rechter had op één dag zes zaken over ‘discriminatie’ op het programma gezet.

Ik moet toegeven dat het verslag ook niet altijd even duidelijk is:

Hoewel de vechtpartij begon omdat de jongens „faggot” en „flikker” riepen naar een homostel dat bij de groep studenten hoorde, worden zij niet vervolgd voor discriminatie. Hadden zij iets over álle homo’s gezegd, was discriminatie waarschijnlijk wel ten laste gelegd, zegt de officier achteraf. Toch neemt de rechter de aard van de uitingen wel mee. Homohaat is „treurig”, vindt hij. 

Discriminatie

Ja, wat is het nou, denk je. Ook de officier vond homohaat vast “treurig”, maar zijn punt was nu juist dat het roepen van faggot en flikker niet iets zei over ‘álle homo’s’. Dat lijkt mij iets dat je gemakkelijk zou kunnen weerspreken: het feit dat woorden die homoseksuele man betekenen in een bepaalde situatie als scheldwoord gebruikt worden, betekent dat degene die die woorden (op dat moment) gebruikt duidelijk minder waardering heeft voor aanhangers van de gelijkgeslachtelijke liefde. In die zin is een homo uitschelden voor homo een uiting van homohaat.

Maar het is niet helemaal duidelijk of de rechter dus vindt dat de officier ongelijk heeft; hij of zij neemt ‘de aard van de uitingen’ immers alleen maar ‘mee’ (de studenten waren ook nog in elkaar geslagen, dat was natuurlijk pas het echt ernstige feit, maar voor discriminatie werden ze kennelijk niet apart bestraft).

Hitlergroet

Vreemder is nog het geval van de jongen die ‘white power’ had geroepen op straat en werd vrijgesproken:

Hij had de woorden waarschijnlijk ergens een keer opgevangen, maar geen idee van de oorsprong en de werkelijke betekenis ervan. Bovendien kan de Hitlergroet juridisch niet gezien worden als een uiting van discriminatie. Het betreft namelijk geen woord of afbeelding, maar een gebaar, aldus de rechter.

Hier blijkt dus kennelijk etymologische kennis (‘de oorsprong’ alsmede ‘de werkelijke betekenis’ van een scheldwoord) belastend te zijn bij aantijgingen van discriminatie. Maar vooral leren we dat een ‘gebaar’ geen ‘woord’ is. Een taalkundige probeert zich in zo’n geval onmiddellijk voor te stellen wat dit impliceert voor gebarentalen (die over het algemeen wel als menselijke talen worden gezien) en wat een gebaar als de Hitlergroet (op zijn minst een teken met een cultureel bepaalde betekenis) dan precies zou doen onderscheiden van een woord.

Maar in de wereld van de rechtszaal is het kennelijk niet nodig om een antwoord te geven op dergelijke vragen.