De hon uitlaten

Door Marc van Oostendorp

Dat ze in streken zoals Midden-Limburg hunj zeggen als meervoud van hontj (hond), kan sommige mensen tot grote opwinding opzwepen. Er is nu zelfs een heel boek over het verschijnsel verschenen omdat het ook in een groot deel van Noord-Duitsland voorkomt, namelijk overal waar hier stippen staan:

Het is ook nogal wat.
Normaal gesproken wordt een woord langer als je het in het meervoud zet. Het Nederlandse honden is bijvoorbeeld één lettergreep langer dan het enkelvoud hond, het Engelse dogs is in ieder geval één medeklinker langer dan dog, het Maleise anjing-anjing is precies twee keer zo lang als anjing.

Dat valt ook te begrijpen: honden valt op het oog in twee stukken uitéén: hond dat ‘viervoetige vriend’ betekent, en en dat ‘meervoud’ betekent. Ieder van die twee betekenisaspecten correspondeert dus met een stukje uit de klankstroom. Maar in die Duitse en Limburgse dialecten wordt het woord dus korter. In het Hessisch is het nog iets makkelijker te zien, daar is het meervoud van Hund, Hun. Hier correspondeert een deel van de betekenis dus met het feit dat er iets ontbreekt.

Historisch gezien is dat nog wel te begrijpen. De d viel weg tussen de n (die er qua uitspraak dicht bij in de buurt ligt) en de volgende klinker in een tijd dat men ook in die dialecten nog Hunde zei. Dat werd dus Hune. Maar daarna viel ook de toonloze e aan het eind van dat woord nog weg, en toen bleef er dus Hun over.

In de taalkundige literatuur wordt er een mooi woord voor zo’n verschijnsel gebruikt dat buiten die literatuur ook best eens wat vaker zou mogen worden opgeschreven: opaak, het tegenovergestelde van transparant. De d is weggevallen maar om een reden die je in het heden niet meer direct kunt waarnemen. De vraag is dan: hoe kan het dat kinderen, die niets van de geschiedenis afweten, zo’n opake meervoudsvorming toch nog leren?

Birkenes heeft daar niet zo’n bevredigend antwoord op, althans een antwoord dat weliswaar is ingebed in allerlei technische theorievorming, maar uiteindelijk toch neerkomt op: die kinderen leren eerst een groot aantal vormen uit hun hoofd en leiden daar dan een bepaalde regelmaat uit af. Maar dat verklaart niet waarom het zo zeldzaam is: dat je een meervoud maakt door iets weg te gooien.

Magnus Breder Birkenes. Subtraktive Nominalmorphologie in den Dialekten des Deutschen. Ein Beitrag zur Interaktion von Phonologie und Morphologie. Stuttgart: Franz Steiner Verlag, 2014. Bestelinformatie bij de uitgever.
In het Limburgs houdt dit verschijnsel mogelijk verband met een toonverschil tussen enkel- en meervoud. Daar schreef ik 10 jaar geleden een artikel over.