Welkom in de academische wereld

Door Marc van Oostendorp


Ann Curzan in het zwembad

Wat zeg je tegen iemand die zijn eerste wankele schreden zet op het smalle pad van de wetenschappelijke carrière? Moet je zo iemand bijvoorbeeld aansporen om alles op alles te zetten, en zijn leven helemaal in dienst te stellen van de wetenschap?

Nee, zegt de Amerikaanse taalkundige Anne Curzan in een column op The Chronicle of Higher Education. Ze zet zich af tegen de collega’s die zeggen dat je geen goede onderzoeker bent als je ook maar één minuut niet in je laboratorium of achter je schrijftafel doorbrengt en wijst er dat ze zelf graag mag zwemmen. “Serieuze academici nemen hun academische werk serieus”, geeft ze toe. Maar: “een belangrijk onderdeel van die ernst is om het werk in perspectief te blijven plaatsen zodat we het met hartstocht, zorg, redelijkheid en energie, terwijl we onszelf de ruimte en tijd geven om andere dingen te doen die ons juist energie geven.”

Uitrusten

Het hangt er, om te beginnen, maar vanaf tegen wie je het zegt.
Er zijn vast in Amerika promovendi tegen wie je af en toe moet zeggen dat ze het wat rustiger aan moet doen, maar in Nederland gaan veel AiO’s misschien wel iets té gemakkelijk iedere dag om 17:15 naar huis omdat er ’s avonds ook nog gebadmintond moet worden en geven studenten die met samenvattingen werken in plaats van naar college te gaan dat ze “nog wel meer te doen hebben“.

Het lijkt me hoe dan ook duidelijk dat mensen die “nog wel meer te doen hebben” sowieso buiten de boot vallen. Ook voor Anne Curzan is het vooral belangrijk dat je er ook nog iets naast doet: lekker zwemmen zodat je ondertussen aan je analyse kunt denken of eventueel kunt uitrusten zodat je ‘meer energie’ hebt, die je dan natuurlijk uiteindelijk toch inzet voor het onderzoek. De discussie gaat er niet om of het werk centraal moet staan, maar of dit betekent dat je al je wakende uren niets anders doet.

Dronken schreeuwen

Ik heb zelf een tamelijk brede opvatting van wat precies mijn werk is, maar daardoor valt ook bijna alles wat ik doe eronder – zelfs minstens een deel van de gesprekken met mijn vrouw, want die is ook taalkundige en zegt bovendien regelmatig dingen die interessant zijn om uit te pluizen, net als iedereen die ik tegenkom – de jongen bij wie ik ’s ochtends koffie haal, de buurman met wie ik een praatje maak, de jongens die dronken staan te schreeuwen.

Ik ben taalkundige geworden omdat taal de hele tijd om ons heen is, maar omdat het altijd om ons heen is, ben ik ook eigenlijk altijd taalkundige.

Exuberant salaris

Maar we moeten wel een belangrijk verschil maken dat je makkelijk over het hoofd ziet en waar ook Curzan niet op wijst: dat het werk van de gemiddelde academicus zich per definitie niet alleen in het laboratorium of achter de schrijftafel afspeelt. Dat je ook moet praten met managers, rapporten moet indienen, functioneringsgesprekken moet krijgen en plannen waarover je in de tweede week van oktober 2017 precies college gaat geven. En dat er eigenlijk van je wordt gevraagd dat je al die dingen ongeveer even belangeloos doet als dat onderzoek – dat je ook het zoveelste jaarverslag over 2014 meeneemt tijdens je long weekend in Oslo, dat je om half tien ’s avonds ook nog gebeld kan worden om de vergadering van morgenmiddag nog even voor te bereiden. (In het commentaar op Curzans artikel verwijst iemand naar het fijne essay ‘We work‘ van Marc Bousquet over dit onderwerp).

Wat je, geloof ik, vooral nodig hebt in een academische carrière, en in het leven, is het vermogen om te blijven strijden tegen al die belangrijkheid die makkelijk al je tijd kan opeten. Zodat je er op een dag achter komt dat je genoegen hebt genomen met het goede maar niet exuberante salaris van de academicus om hetzelfde suffe soort werk te doen dat mensen in het bedrijfsleven doen tegen een veel hogere beloning.