Onverwachte taalvragen in de nationale wetenschapsagenda (0)

Door Marc van Oostendorp


Nationale Wetenschapsagenda, gingen er 221 over taal. Inmiddels hebben de jury’s en commissies die aan die agenda werken de vragen enigszins gegroepeerd en georganiseerd. Voor de taalvragen leidde dat tot de volgende vier overkoepelende vragen:
Onder de duizenden vragen die er dit voorjaar gesteld zijnaan de

Zoals te verwachten was, loopt rijp en groen door elkaar.

Sommige vragen verraden iets minder vertrouwdheid met de geplogenheden van de moderne taalwetenschap:

Andere vragen zijn duidelijk door onderzoekers ingediend die hun eigen onderzoek vooruit wilden helpen. Die klinken als de publiekssamenvatting van een heel groot NWO-project (mijn indruk is dat onder de taalkundigen vooral taaltechnologen erg hun best hebben gedaan om allerlei vragen op de wetenschapsagenda te krijgen):

  • Hoe komt het dat mensen zo efficiënt met elkaar kunnen communiceren? En kunnen we dit ook aan computers leren, zodat mensen in de toekomst net zo efficiënt kunnen communiceren met computers als met menselijke gesprekspartners?
    Mensen begrepen elkaar soms ‘met een half woord’. Dankzij impliciete kennis, gevoeligheid voor context en non-verbale signalen anticiperen we meestal adequaat op de boodschap die een ander beoogt te geven – al zijn er ook bij mensen veel misverstanden. De omgang met computers vereist grotere precisie; ‘een half woord’ is onvoldoende; een ontbrekend haakje kan al fataal zijn. Door communicatie tussen mensen onderling en tussen mensen en computers te vergelijken, kan de rol van impliciete kennis en ambiguïteit in de taal worden bestudeerd, waardoor we menselijke communicatie beter kunnen begrijpen. Met beter begrip van de menselijke communicatie, kunnen we mogelijk de mens-machine interactie meer laten aansluiten bij menselijk gedrag. We hebben in Nederland veel expertise over communicatie, bij taalwetenschappers, psychologen en anderen. Ook mens-machine interactie, kunstmatige intelligentie en verwante onderwerpen worden op diverse plaatsen bestudeerd, door communicatiewetenschappers, ingenieurs, en anderen. Wat betreft de technologie is dit thema bij uitstek nu aan de orde, gezien de toenemende expliciete of verborgen aanwezigheid van computers in de leefwereld van mensen.
De komende tijd wil ik in een serietje schrijven naar aanleiding van taalvragen die gesteld zijn aan de nationale wetenschapsagenda. Ik wil me daarbij vooral richten op de voor een wetenschapper wat onverwachtere vragen. Wat weten we al? Waarom zullen sommige vragen waarschijnlijk voorlopig wel onbeantwoord blijven? En valt er over sommige op het eerste gezicht bizarre vragen niet tóch wat te zeggen?