Is ‘pauk’ raarder dan ‘paus’?

Door Marc van Oostendorp

Dezer dagen ben ik in Lublin voor een congres over fonologie. Zo hoor je nog eens wat, bijvoorbeeld over de klank [au].

Mijn collega John Harris uit Londen gaf een lezing, waarin hij liet zien dat allerlei klankveranderingen in het Engels er in de loop van de tijd voor hebben gezorgd dat die klank alleen maar voorkomt voor een klank die je maakt met het puntje van je tong (t, d, z, s, th). Er zijn wel Engelse woorden zoals out, mouth en mouse, maar geen woorden met een andere medeklinker zoals oup of loum.

Harris’ vraag was: is dit alleen maar een toevallige samenloop van omstandigheden of is er ook een reden om na au alleen een tandklank te willen hebben? Proberen moedertaalsprekers van het Engels die klank bijvoorbeeld bewust of, waarschijnlijker, onbewust te mijden?

Harris had een experiment gedaan waarin hij paren Engelstaligen zelfverzonnen woorden voorlegde, waaruit ze er steeds twee moesten kiezen: blout of bloum? Daaruit bleek dat die mensen wel een kleine voorkeur hebben voor de ene, maar de vraag is of die voorkeur genoeg is om te denken dat ze ook een rol heeft gespeeld.

Ondertussen dwaalden mijn gedachten af naar het Nederlands.
Ook in onze taal mijden we au voor andere medeklinkers dan l, n t en s – allemaal tandklanken. We hebben wel woorden zoals kous, faun en koud, maar geen koum, pauf of praug. Duitse woorden als Baum en Daume zijn in het Nederlands boom en duim. De andere tweeklanken kennen dat soort beperkingen niet: druif en rijk zijn heel gewone woorden. Bij au is pauk de enige uitzondering (tenzij het woord glauk jullie wat zegt).

Het Nederlands heeft natuurlijk een andere geschiedenis dan het Engels, en klanken hebben zich op een heel andere manier ontwikkeld. Toch heeft die andere ontwikkeling tot hetzelfde resultaat geleid. Dat kan toch geen toeval zijn, zou je bijna zeggen. Zouden sprekers van het Nederlands blaut ook aanwijzen als waarschijnlijker dan blaum?