Einde van de Taalunie?


De taalunie is van 1980. Het initiatief kwam destijds van Belgische zijde, vooral uit de koker van J. Fleerackers. Nederland zag er niet veel in, maar de Belgen maakten duidelijk dat het politieke lot van Vlaanderen als zelfstandige gemeenschap binnen België ervan afhankelijk was. Er moest en zou een Taalunie komen. Nederland wilde geen spelbreker zijn en heeft meegedaan. Het belangrijkste doel van de Taalunie werd  “de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin” (Artikel 2 lid 1). In gewone taal: Nederland en Vlaanderen hebben één en dezelfde taal, en dat moet zo blijven en liefst nog een beetje meer gelijk worden. En even verderop werd gesproken over “de gemeenschappelijke bevordering van de studie en verspreiding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland”.

Voor zover mij bekend ben ik toen de enige geweest die publiekelijk heeft uitgelegd dat een Taalunie, althans in de vorm die ze heeft, geen goed idee is (Onze Taal 1977, 70-72 en 1980, 103-104). Daar heeft niemand naar geluisterd.
Intussen zijn we 35 jaar verder en we zijn gewend geraakt aan de Taalunie. Maar ze lijkt nu toch haar langste tijd gehad te hebben. En zoals de oprichting een Vlaamse actie was, zo is nu ook de desintegratie in het zuiden begonnen.

In zekere zin is dat altijd zo geweest, want ook vóór 1980 werd de eenheid in de spelling vooral bedreigd doordat de belangrijkste Vlaamse kwaliteitskrant zich niet hield aan de voorkeursspeling: De Standaard hanteerde haar eigen “progressieve spelling” en is dat tot 1995 blijven doen. Om eens een echt zuidelijke uitdrukking te gebruiken: de Vlamingen bliezen warm en koud.

Maar de jongste tijd lijken ze toch meer en meer op één lijn te zitten. De gezindheid die in 1980 om een Taalunie vroeg, daar is nu weinig meer van over.
De Taalunie is er trouwens zelf mee begonnen door, in strijd met haar eigen oprichtingsakte, niet één maar twee Nederlandsen te erkennen, een noordelijke en een zuidelijke variant. Dat was al een opmerkelijke stap.
Maar de jongste tijd gaat het snel. Een paar maanden geleden was ik in een vergadering waarin nagedacht werd over de toekomst van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden. Zoals u weet is dat een gemeenschappelijk Nederlands-Vlaams instituut. De teneur van die vergadering was dat de Vlamingen liever een eigen instituut hebben, ergens in België.
De hele discussie was acuut geworden doordat de (Vlaamse) algemeen secreataris van de Taalunie overhoop ligt met dat instituut. De Taalunie als doorgeefluik van het geld voor het INL wil zich, tegen alle afspraken in, meer en meer bemoeien met de bestemming van dat geld. En zoals al in de bijbel te lezen staat: “Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest” (Lucas 11: 17).
En het gaat verder. Nu heeft De Standaard (ja, inderdaad weer De Standaard!) begin dit jaar een geel boekje uitgebracht, Hoe Vlaams mag uw Nederlands zijn?, met daarin een 1000-tal in Vlaanderen gangbare woorden (in Nederland onbekend), en een flink aantal daarvan zal De Standaard voortaan vrijelijk gaan gebruiken. Oftewel: niet langer verboden, maar standaardtaal. ’t Is te zeggen: zuidelijke standaardtaal. Het vroegere ideaal van één en dezelfde taal in noord en zuid, daar is blijkbaar weinig meer van over. Het gedachtengoed waar de Taalunie op gebaseerd was, verdampt.
Tot zover was ik voordat we te horen kregen dat de Taalunie nu ook haar inspanningen voor de buitenlandse neerlandistiek fors wil reduceren. En voorspelbaar met aalgladde motivering: het ene moment heet het dat er bezuinigd moet worden, het andere moment wordt gesteld dat de markt het beter kan. Maar los daarvan: opnieuw wordt een taak die essentieel genoemd werd, ik bedoel: die door de Taalunie zelf als essentieel beschouwd werd, afgeworpen.
Om nog eens een zuidelijke uitdrukking te gebruiken (en hij staat, geloof ik, niet in het gele Boekje): om mij niet gelaten. Ik moei me niet met wat De Standaard wel of niet schrijft; het Instituut voor Lexicologie, de IVN en de buitenlandse neerlandistiek bestonden allemaal al lang voordat de Taalunie werd opgericht, en ik was 35 jaar geleden al geen voorstander van de Taalunie. Maar als historisch taalkundige en als geïnteresseerde waarnemer van het wel en wee van onze taal stel ik vast dat er van de taalunie-mentaliteit, eerst in Vlaanderen en nu overal, tegenwoordig weinig meer over is. Ik zou niet verwonderd zijn als de Taalunie weer wordt opgeheven.