By die Sonne claer

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (19)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?
Door Marc van Oostendorp

Wat zijn de grenzen van de dichterlijke taal? Onlangs interviewde iemand Ilja Leonard Pfeijffer voor de tv over diens nieuwe bundel en zei toen dat Pfeijffer geen taboes had in wat voor woorden hij opnam in zijn gedichten. Ook de meest ondichterlijke woorden kregen een plaats. Als markant voorbeeld noemde hij snoetje!, wat de dichter duidelijk verbaasde en mij ook. Wat is er nu weer ondichterlijk aan snoetje? (Overigens komt dat woord ook in eerdere poëzie en proza van Pfeijffer voor.)

In zeventiende-eeuwse sonnetten heb ik nog geen snoetje kunnen vinden, maar ik graaf vrolijk door. Een enkele keer waagden zich dichters ook toen wel buiten de geijkte poëtische woordenschat. Justus de Harduwijn gaat in het 24e sonnet van De weerelicke liefde tot Roose-mondt bijvoorbeeld ineens over op juridisch jargon en gebruikt tuigeloos, volgens het WNT ‘door verwantschap met den verdachte of anderszins niet gerechtigd om voor het gerecht een getuigenverklaring af te leggen’:


Onder een loover-schauw, uyt t’Sons gloedighen schijne,
Vliedende sorgh en anghst, en mijn eeuwigh misbaer,
Merckt’ ick eerst mijne min verwerrent in u hair:
U hair, dat my oorsaeckt ondraeghelijcke pijne.

Och! dese quael voorwaer voel ick mijn doot te zijne.
Och! mijne doot beweent nerghens int openbaer,
Dan by dit groen gheboomt, en by die Sonne claer:
Die sien hoe dat ick hier in traenen-vloed verdwijne.

Hoe wel waerachtigh is dat de Liefd’, en de Doot,
Die my hier zijn ontrent, van desen mijnen noot
Oock tuyghnis connen doen, en Roos-Mond dat vertooghen.

Maer aen den rechter-stoel van hemel ende aerd,
Dees twee ghetuyghen zijn voor tuyghe-loos verclaerd:
Want stom soo is de Doot, de Liefde sonder ooghen.

Maar interessanter dan tuygheloos in dit gedicht is misschien nog wel het woord by. Volgens Oscar Dambre, van wie ik hier de gedichten van De Harduwijn schaamteloos kopieer betekent dat woord hier door.

Dat is mogelijk. By dit groen gheboomt en by die Sonne claer zijn hier allebei bepalingen bij beweent. Dat laatste werkwoord staat in de lijdende vorm. Tegenwoordig zetten we dan door voor de handelende persoon: beweend door alle mooie meiden (met hun treurige snoetjes), maar in het verleden kon dat ook van zijn (zoals bij de Duitsers) of bij (zoals van de Engelsen). 

De historisch taalkundige Marijke van der Wal heeft er enkele jaren geleden een overzicht van gemaakt: hoewel door in de zeventiende eeuw langzaam opkwam, bleven van en bij in gebruik. Valerius gebruikte bijvoorbeeld nog in 80% van de gevallen bij.

In dit geval zit er dan wel iets bijzonders aan, want we moeten ervan uitgaan dat bomen en zon hier als handelende ‘persoon’ optreden – het zijn immers doorgaans alleen personen die wenen. Nu is dat allemaal natuurlijk geen probleem, want in een gedicht kunnen ook fauna en hemellichamen ook best even meewenen; maar in de hele zin wordt gezegd dat de dood nergens beweend wordt, behalve dan enzovoort, niet dat hij door niemand beweend wordt. Bij dit groen geboomte en bij de zon staan dus op hetzelfde niveau als nergens, en lijken volgens die redenering eerder als plaatsbepalingen gebruikt.

Toch moeten die plaats tegelijkertijd ook degenen zijn die wenen, want anders weent er niemand. Bij wordt hier dus bewust dubbelzinnig gebruikt, op een manier die nu niet meer bestaat.