De taal langzaam veranderen!

Door Marc van Oostendorp


René Appel toen hij de taal nog snel wilde veranderen.

Nu gaan we het krijgen! dacht ik verheugd toen ik in de nieuwe Onze Taal een artikel van René Appel zag staan, de beroemde schrijver en voormalige taalkunde-hoogleraar. Dat artikel heeft als titel Hoe snel laten we de taal veranderen? en als ondertitel Pleidooi voor een middenpositie.

Goed idee, dacht ik, we gaan de taal langzaam veranderen! Niet alles voor altijd bij het oude laten, zoals sommige mensen kennelijk willen, en ook niet alles razendsnel overhoop gooien, zoals anderen naar verluidt bepleiten, maar gewoon, lekker op ons dooie akkertje, iedere paar jaar een paar woordjes hier en daar. Nu even wennen aan enkel hunnetje als lijdend voorwerp, maar nog niet als onderwerp omdat dit te gortig wordt. Iedere paar jaar een paar dt-fouten erbij. Het lijkt mij wel wat

Maar wacht eens even, bedacht ik toen. Wie zijn eigenlijk die radicalen tegen wie Appel zich keert? Ik ken echt niemand die ofwel vindt dat alles anders moet en wel nu! meteen!, zoals ik ook niemand ken die vindt dat de Nederlandse taal zoals hij in 2015 is in steen gebeiteld moet worden. Iederéén neemt hier een middenpositie in. Wat is dat voor discussie, die Appel hier wil beslechten?

Effectief

De twee groepen die hij in zijn artikel beschrijft, zijn dan ook heel anders. Er zijn de mensen die zich zorgen maken om de verandering van de taal en die vinden dat er wat aan moet gebeuren. En er zijn mensen die zeggen dat er nu eenmaal niets aan taalverandering te doen is, dat “opponeren tegen taalverandering gelijk staat aan vechten tegen windmolens”.

Maar dat is een heel ander soort discussie – niet een waarin je een gematigde positie kunt innemen, maar een die je kunt onderzoeken: wie heeft er eigenlijk gelijk? Zijn er ooit effectieve maatregelen genomen tegen taalverandering, en zo ja welke?

Litouwen

Appel geeft vervolgens een heel verhaal over dat hij vroeger wetenschapper was – sociolinguïst nog wel – en dat hij toen ook niet geloofde in vechten tegen taalverandering.”Inmiddels – dat schijnt voortschrijdend inzicht te heten – denk ik er iets anders over, en kies ik voor een positie midden tussen normatieven en realisten”.

Waar dat voortschrijdend inzicht op gebaseerd is, vertelt Appel er niet bij. Is het hem inmiddels duidelijk geworden dat de windmolens toch geen windmolens zijn? Heeft hij studie gedaan naar de taalpolitiek in Litouwen en er ontdekt dat de taalpolitie daar wel degelijk in staat is de taalverandering af te remmen?

Militaristisch

Appel vertelt er niets over. In plaats daarvan zegt hij nu schrijver is en “enigszins stabiele standaardtaal in de Nederlandse taalgemeenschap [hem] van groot cultureel belang” lijkt. Maar dat is helemaal geen argument! Het gaat er niet om of het van belang is, het gaat erom of het kán. En er is geen enkele reden om te veronderstellen dat dit zo is – in het huidige tijd waarin allerlei gezag afbrokkelt waarschijnlijk nog veel minder dan in de tijd dat Appel nog sociolinguïstische studies schreef.

De oplossing voor het zelfverzonnen probleem waar Appel mee komt, is dan ook uitermate potsierlijk: hij wil een commissie benoemen. “Ik zie wel iets in een door de Nederlandse Taalunie in te stellen commissie. Laten we die het Taalforum noemen, of de Taalwacht – hoewel die laatste term misschien te militaristisch klinkt.”

Windmolens

Waarom er ook maar iemand zou luisteren naar de zoveelste commissie van de bij de meeste mensen toch al volkomen onbekende vergadermachine die de Nederlandse Taalunie heet, vertelt de schrijver er niet bij.

Het is dus allemaal geen retorica. Appel levert zich met huid en haar over aan één kant van het debat: dat van de mensen die wanhopig menen dat er toch iets moet gebeuren, ook al is iedere indicatie dat het geen zin heeft en er geen enkel bewijs dat er een ernstig probleem is. Hij is een ridder van de dolende figuur die denkt dat hij een middenpositie inneemt wanneer hij pleit voor een commissie tegen windmolens.