Addenda EWN: tja

Door Michiel de Vaan

tja tw. uiting van weifelende toestemming, berusting, echovraag
Nnl. tja (1901), tja-tja (1901), sja (1903), tsja-tsja (1903), tsja (1908). De eerste attestaties komen uit Heijermans’ Op hoop van zegen. Naar alle waarschijnlijk is tja ontstaan door nadrukkelijke of bedachtzame uitspraak van de j-, waarbij extra frictie ontstaat (jjja) en de beginklank tenslotte als sj-, tj- of tsj- wordt gehoord. Vergelijk de uitroep tjonge, sjonge, die op dezelfde manier uit jongen is ontstaan.

De betekenis laat zien dat tja uit zinsinleidend ja is gegroeid, vergelijk “Ik denk, dat ik zien kan, dat gy moede zyt.” – “Ja, Juffrouw, de Wyk is groot (Wolff en Deken, Willem Leevend, 1784). Zo ook is tja-tja uit ja-ja ontstaan, dat met zijn herhaling een bewering helpt te verzekeren. Vergelijk Ick docht in mijn selven al: jae jae, het langhe laken daer Gees de huyck of hadt, dits alweer om de bruyt ‘ik dacht bij mezelf al: ja ja, van hetzelfde laken een pak, dit gaat weer over de bruid’ (Franssoon, Giertje Wouters, 1623).