Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

– Marc krijgt een pdf’je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina’s deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis’ Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er –er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf’jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

Miniscenario

Iets anders wat bij nadere beschouwing vreemd is aan onze zin, is dat hij niet in de lijdende vorm kan worden gezet:

– Een pdf’je wordt door Marc (van Hans) gekregen. [2, uitgesloten]

Wat is er aan de hand? Broekhuis wijst op de inhoudelijke overeenkomst tussen geven en krijgen:

– Hans geeft Marc een pdf’je. [3]

In deze tweede zin is Marc een meewerkend voorwerp, en Broekhuis suggereert dat dit in de zin met krijgen ook het geval is. Wat betekenis betreft klopt dat natuurlijk: zinnen 1 en 3 beschrijven precies hetzelfde miniscenario, waarin Marc ook precies dezelfde rol vervult.

Bijrol

Het typische onderwerp van een zin is iemand die de handeling vervult. In zin 3 is Hans dat, maar in zin 1 is het zogenaamde onderwerp, Marc, iemand die, de naam zegt het al, hooguit zijn meewerking verleent. Dat maakt hem dus als onderwerp minder geschikt.

Ieder Nederlands werkwoord roept zo’n miniscenario in het leven: er is een bepaalde handeling, en er zijn een aantal rollen te vergeven voor acteurs in die handeling. Geven heeft drie zulke rollen, maar krijgen heeft er slechts twee: degene die de handeling feitelijk uitvoert ontbreekt. We kunnen hem er wel bijzetten, maar dan alleen ingeluid door het voorzetsel van: dat maakt van Hans in zin 1 op zijn best een bijrol; je kunt die hele Hans dan ook gemakkelijk weglaten.

Doordat er een rol ontbreekt die je logischerwijs zou verwachten, krijgt de eeuwige medewerker Marc ineens de hoofdrol in zin 1. Dat hij daar niet helemaal op zijn plaats is, dat blijkt uit de onmogelijkheid van krijger en van zin 2.

Een kroon

Broekhuis haalt nog een argument uit de volgende zin:

– Marie krijgt een tik op de vingers. [4]

De vingers die pijn doen na uitvoering van dit scenario zijn die van Marie. Dat weet iedere lezer van die zin, ook al is er alleen maar sprake van ‘de vingers’ en niet van ‘haar vingers’. De gebruiken in plaats van haar lukt minder goed als je terugverwijst naar een onderwerp dan naar een meewerkend voorwerp:

– De koning heeft een kroon op het hoofd. [5, klinkt beetje raar]

– Ik zet de koning een kroon op het hoofd. [6, een stuk beter]

Bij krijgen gaat het blijkens [4] heel goed met het onderwerp. Dat dus eigenlijk een gemankeerd lijdend voorwerp is. Al is hoe dat precies zit nog het onderwerp van nader onderzoek.

(Wordt vervolgd)