Een manifest tot behoud van het Engels aan de Nederlandse universiteit

Door Marc van Oostendorp


Vier argumenten geeft het Manifest tot behoud van het Nederlands van enkele Amsterdamse docenten in de Geesteswetenschappen – maar vier argumenten waarvoor of waartegen? Je zou gegeven de titel misschien denken: voor het Nederlands, maar bij nadere beschouwing blijkt het vooral te gaan tegen het Engels in het universitair onderwijs. En dat lijkt me niet hetzelfde. Sterker nog, die verwarring, en het wat eenkennige beeld dat de auteurs tentoonspreiden over meertaligheid, maakt het betoog op punten wankel.

Hier zijn de vier argumenten. De eerste komt erop neer  dat geesteswetenschappen anders zijn dan andere wetenschappen; dat de beoefening ervan een heel fijn taalgevoel vereist, dat vrijwel niet is op te brengen in andere talen dan de moedertaal: “Een wiskundige, econoom of oncoloog kan zich onder bepaalde omstandigheden misschien nog redden in basaal Engels met een woordenschat van luttele duizenden woorden, voor een academicus die zijn leven aan de humaniora wijdt, is dat ondenkbaar.” Wat dat onderscheid nu precies rechtvaardigt, wordt mij niet helemaal duidelijk.

Ja, de humaniora houden zich bezig met “de bestudering van dit instrument [de taal] zelf”, en bovendien met “iets ongrijpbaars dat wij schoonheid noemen”, maar op welke manier dat nu precies rechtvaardigt dat men zich in die bestudering opsluit in de eigen taalgemeenschap, wordt niet nader geëxpliciteerd. Met evenveel recht zou je kunnen zeggen dat dit alles betekent dat geesteswetenschappers dus zo goed mogelijk Engels moeten leren, veel beter dan andere wetenschappers, zoals de grote humanisten uit het verleden soms prachtig Latijn schreven. Het enige argument dat het manifest lijkt te geven is dat goed Engels spreken en schrijven zo moeilijk is; maar dat betekent dat het niveau van de opleidingen moet worden opgekrikt, iets waar ze in een ander verband zelf voor pleiten (‘Beter goed onderwijs aan een beperkte groep dan matig onderwijs aan hele volksstammen’).

(Even terzijde,  het is wat te gemakkelijk om mensen die zo
hoog van de toren blazen over het belang van fijn taalgevoel te
bekritiseren, maar een manifest tot behoud? Voor mij kun je tot behoud
alleen gebruiken bij iets wat een instrument kan zijn in dat behoud,
een vereniging tot behoud, een actie tot behoud, maar een manifest
vóór het behoud. Zou ik zeggen.)

Het tweede argument gaat over intellectuele vorming: “Hoewel er altijd studenten zijn die doorstromen naar promotieplaatsen en zich een positie willen verwerven in de internationale academische gemeenschap, vindt het overgrote deel van onze studenten emplooi in eigen land, waar ze, gezien hun hoge opleidingsgraad, vaak terechtkomen in veeleisende functies.” De meeste studenten zullen in de toekomst in Nederland werken en dus is het belangrijker dat ze zich goed in het Nederlands kunnen uitdrukken dan dat ze dat in het Engels kunnen.

Dit vind ik het sterkst van de vier argumenten, al valt er nog wel wat op af te dingen, zoals dat het beeld wordt geschapen van Nederland buiten de academie een beetje ouderwets is. Ook conservatoren van Nederlandse musea, leraren op Nederlandse scholen en voorlichters van Nederlandse ministeries zijn gebaat bij een brede internationale blik. En wat belangrijker is: we hoeven niet te doen alsof het gebruik van het Engels in het onderwijs het aanleren van mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid in het Nederlands in de weg zit. Die twee dingen kunnen best samengaan, vooral wanneer we ervanuitgaan dat de eisen die we aan studenten stellen best wat hoger mogen (‘Beter goed onderwijs aan een beperkte groep…’)

Het derde argument gaat over Engels en andere talen. Dit vind ik een oneigenlijk argument; het heeft in ieder geval niets te maken met ‘behoud van het Nederlands’. Het manifest wijst er, geheel terecht op, dat het Engels bezig is de andere talen te verdringen. Mensen leren geen Roemeens of Noors meer omdat ze er, geheel ten onrechte, vanuitgaan dat met het Engels de hele wereld al ontsloten is. Nederlandse studenten én veel docenten sluiten hun ogen voor de niet-Engelstalige buitenwereld. Dat is een zorgelijke ontwikkeling, maar die wordt niet gestopt door het Nederlands te bevorderen.

Ook het vierde argument, dat gaat over cultuurpolitiek, vind ik niet sterk. Hier is sprake van ‘nationaal zelfrespect’ en het ‘niet verkwanselen’ van de eigen taal en cultuur, en in dezen een voorbeeld nemen aan ‘Franse, Spaanse of Italiaanse universiteiten’. Nu ken ik van dat rijtje alleen de Italiaanse een beetje, en eerlijk gezegd lijkt mij niet dat we daaraan een voorbeeld moeten nemen. Hoewel het ongetwijfeld juist is dat veel mensen die er werken bijzonder trots zijn op hun eigen taal en nauwelijks Engels spreken, zie ik niet dat dit het niveau van het onderwijs daar bijzonder ten goede komt – en ook niet dat Italiaanse studenten na afloop van hun studie per se beter denken, spreken of schrijven dan hun Nederlandse evenknieën.

De kwestie lijkt me daarbij ook of je het ‘nationaal zelfrespect’ of de ‘eigen cultuur’ per se moet ophangen aan eentalig gebruik van een ‘eigen’ taal, of dat je die ook kunt zoeken in het gebruik, op hoog niveau, van verschillende talen.

Dat is wat ik dan ook tegenover het manifest van de Amsterdammers zou willen stellen. Ja, we moeten inzetten op betere Nederlandse taalvaardigheid van studenten geesteswetenschappen. Ja, we moeten inzetten op passieve én actieve kennis van andere talen dan alleen het Nederlands en het Engels. Maar nee, dat hoeft niet te gebeuren door de eisen in het gebruik van het Engels te verlagen. Naar mijn ervaring heeft het Engelstalig onderwijs in de Nederlandse masters ook veel goeds gebracht: het heeft de opleidingen opengebroken, ze bijvoorbeeld gevoelig gemaakt voor de kritiek van buiten.

Weg, daarom, met de conclusie dat het Nederlands alleen behouden kan worden door onze taaleisen voor andere talen naar beneden bij te stellen. Mijn manifest: we moeten de taaleisen opschroeven: voor het Nederlands, voor andere talen, en voor het Engels.