Reflecteren op een vracht onzin? Eindeloos!

door Peter-Arno Coppen

[Lees ook het vervolg]

Om een goede columnist te zijn moet je niet bang zijn om op andermans tenen te staan. Je moet beschikken over een behoorlijk uitgebreid, maar niet al te opzichtig retorisch repertoire, en je moet natuurlijk midden in de actualiteit staan. Dat wil zeggen: je geheugen moet kort zijn, je moet over voldoende ongeïnformeerdheid beschikken, en je moet niet al te ver vooruit kijken. Het gevaar is namelijk dat je anders te genuanceerd gaat schrijven, en daarvan zouden de lezers kunnen afhaken.

Een lezenswaardig voorbeeld dat dit allemaal mooi laat zien is de column van Aleid Truijens in de Volkskrant van zaterdag 18 oktober. Die begint al fijnzinnig met de opmerking dat ‘veel ouders willen dat hun begaafde lieveling naar het gymnasium gaat.’ Dat kan al niet meer goed komen denk je als lezer dan. Blijkbaar zitten de gymnasia vol met ondergekwalificeerde maar overgewaardeerde verwende apen, die door hun ouders tot dit schooltype gedwongen worden. Goed dat iemand daar iets van zegt!

Maar wacht: het is ‘binnen afzienbare tijd gedaan met de gymnasia.’ Goed zo, zou je zeggen, weg met dat onterecht elitaire schooltype. Maar ook dat is niet waar de columniste naartoe wil. Nee, ‘er dreigt een schrijnend tekort aan leraren Latijn en Grieks.’

De column gaat dus over de te verwachten lerarentekorten. En niet alleen bij Latijn en Grieks, maar ook bij Duits, Frans, wiskunde, Nederlands en Engels. En vooral een tekort van eerstegraadsleraren. Ook goed, denk ik dan. Goed dat iemand dat nog eens aan de orde stelt. Je kunt dat niet vaak genoeg signaleren.

Maar nu komt het stuk pas echt op gang. Zowat iedereen krijgt een veeg uit de pan: (1) minister Bussenmaker met haar ‘lerarenagenda’ (subtiel tussen aanhalingstekens geplaatst), (2) de VVD die ‘zelfs alleen maar universitair geschoolde docenten op het vwo’ wilde, ‘wat duizenden vers afgestudeerde eerstegraadsleraren met een hbo-master […] op slag overbodig zou maken’ (waarbij de columnist handig ‘vergeet’ dat het eerstegraadsgebied behalve uit vwo ook uit havo bestaat), (3) diezelfde hbo-master, want ‘aan het niveau van die hbo-master wordt getwijfeld,’ (4) de universitaire studenten, die ‘hun neusjes optrekken voor het leraarsvak,’ en (5) de universiteit, die ‘haar taak [heeft] verwaarloosd’ door ‘sexy klinkende studies’ in het leven te roepen en ‘brede bachelors,’ die ‘niet samengaan met vakkennis.’

Doet er dan iemand het wel goed? Ja, de geesteswetenschappen hebben een ‘uitstekend actieplan met zinnige aanbevelingen om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken.’ Maar als columnist heb je natuurlijk betere ideeën. De uiteindelijke klapper waar deze column op uitkomt is vervat in een alinea die het waard is om in detail na te lopen.

Hij begint met de spannende aankondiging ‘Ik denk ook aan een andere oplossing.’ Die wordt nog versterkt door de volgende zin, die begint met ‘Een rigide ingreep:’  Ik denk dat hier ‘rigoureuze’ bedoeld is, maar ‘rigide’ klinkt misschien beter, of het is korter, ik weet het niet, maar in elk geval is bij die dubbele punt de spanning haast ondraaglijk. En dan komt het: ‘schaf de bestaande universitaire educatieve master af, althans de voltijdstudie.’

Daar hebben we het. Gewoon afschaffen die handel, dat is ferm gesproken! De lezer heeft toch een kort geheugen, dus die weet vast niet meer dat twee regels eerder het plan van de geesteswetenschappen is bejubeld, dat studenten ertoe moet verleiden om voor die educatieve master te kiezen. Met dit ‘rigide’ voorstel (misschien is toch ‘ridicuul’ bedoeld) wordt daar dus de bodem onderuit getrokken en staan al die verleide studenten met lege handen. 

Waar komt dit idee ineens vandaan? In de eerste helft van de column waren de lerarenopleidingen ongeveer de enige betrokkenen die buiten schot bleven, maar nu moeten ze afgeschaft worden, ‘althans de voltijdstudie.’  Waarom? Welnu, ‘Studenten zijn er weinig tevreden over.’ Je zou denken dat dit de voltijdse studie net zo treft als de deeltijdvariant, en dat het eerder de noodzaak oproept tot kwaliteitsverbetering, maar blijkbaar is met name de voltijdse lerarenopleiding niet meer te redden. Waarom niet? ‘Ze [i.e. de studenten] krijgen, naast een nuttige stage, een vracht aan pedagogiek en onderwijskunde en moeten eindeloos reflecteren op het leraarschap.’

Let op hoe de subtiele retorische middelen hier het werk doen. Het gaat immers om ‘een vracht aan’ pedagogiek en onderwijskunde. Dat is nooit goed, ‘een vracht.’ Hoeveel is dat eigenlijk? Die ‘nuttige stage’ bedraagt precies de helft van de studie, dus die vracht kan nooit meer dan de helft zijn. Maar die andere helft bestaat ook nog eens voor zeker de helft uit vakdidactiek. Het gaat dus om maximaal een kwart van de opleiding, die aan ‘pedagogiek en onderwijskunde’ besteed wordt. Een belangrijk deel daarvan zal de wettelijk noodzakelijke kennisbasis zijn, dus veel tijd blijft er niet over, en al helemaal niet voor ‘eindeloos reflecteren.’

‘Eindeloos reflecteren,’ ook al zo’n mooie retorische term. Alles wat eindeloos is, is alleen daarom al fout (alleen het predicatief gebruikte ‘eindeloos’ zelf is positief). Het is misschien net iets minder negatief dan ‘oeverloos,’ maar het suggereert in elk geval ‘zinloos’ of ‘doelloos.’ En wat is dat ‘reflecteren’ eigenlijk? Dat klinkt ook als een vage bezigheid waar je niet direct beter les van gaat geven. Dat hiermee doorgaans bedoeld wordt dat je moet kunnen nadenken over hoe je lesgeeft, en dat je dat moet kunnen verantwoorden, dat is voor het betoog niet zo bevorderlijk, dus dat laten we gemakshalve onbesproken. Ook hebben we het er niet over dat dit reflecteren letterlijk in de wettelijke bekwaamheden staat die aan het leraarsberoep vast zitten. Je zou de wet moeten veranderen om het eruit te halen. Maar ja: nadenken kun je eigenlijk ook niet te weinig doen.

Enfin, die studenten vinden het allemaal maar niks, want ‘Je bent een vol jaar kwijt, terwijl je niet eens weet of je er geschikt voor bent.’ Een normaal mens zou denken dat misschien die lerarenopleiding daar ook wel een beetje voor bedoeld is, maar de columniste heeft andere inzichten. Een alinea verderop komt de aap uit de mouw: ‘Veel van mijn vroegere medestudenten Nederlands zijn op latere leeftijd voor de klas beland. Die bevoegdheid hadden ze al, die kregen we vrijwel cadeau bij onze studie.’ Zo moet het dus: gewoon cadeau geven die bevoegdheid! Het plan is werkelijk van een ontwapenende eenvoud, die alleen maar aan een gebrek aan reflectieve vaardigheden toegeschreven kan worden. 

Ik zie nu ineens de scène voor me: de columniste zit met een paar vroegere medestudenten van een zekere leeftijd bij elkaar (van voor de educatieve master, die al zo’n 25 jaar bestaat). Het is een gezellig avondje, flesje witte wijn erbij (of twee), en onwillekeurig ontstaat er een stemming waarin het idee postvat dat alles vroeger beter was. Vroeger, ja toen hadden we tenminste nog vakkennis! Tegenwoordig is het alleen maar oeverloos, pardon eindeloos reflecteren op een vracht pedagogiek en onderwijskunde waar je zomaar een jaar mee kwijt bent. Ze zouden juist die mensen met levenservaring voor de klas moeten zetten, in plaats van al die in hippe, sexy en brede bachelors opgeleide hoogbegaafde lievelingetjes. En hebben ze dan per se een didactische aantekening nodig, dan kunnen ze dat ‘in een paar uur studie per week’ zo bijspijkeren. Broeva! Haro!

Het ironische van de hele zaak is nog dat de ideeën die hier voorgesteld worden, in allerlei vormen al toegepast worden: de educatieve minor is ingericht om universitaire studenten eerder het onderwijs in te krijgen, maar daar waren veel mensen dan weer tegen omdat je mensen toch niet onvoorbereid en onopgeleid voor de klas kon zetten. En tegenwoordig heb je het initiatief ‘Eerst de klas,’ dat studenten die het bedrijfsleven in willen, de kans biedt om eerst een tijdje het onderwijs te doen en daarna te switchen. Ook voor mensen die op latere leeftijd het onderwijs in willen bestaat al jarenlang het ‘zij-instroomtraject.’ In al deze gevallen komen mensen met een verkorte of deels uitgestelde opleiding voor de klas te staan.

Ik vraag me af of je het beroep van leraar wel serieus neemt als je uitdraagt dat elke Nederlander met voldoende vakkennis en levenservaring op een klas met pubers losgelaten kan worden. Die vakkennis lijkt me wel een noodzakelijke voorwaarde om een goede leraar te zijn (en naar mijn idee gaat daar in feite de discussie over), maar het is in elk geval geen voldoende voorwaarde. Daar komt nog wel het een en ander bij: je moet een zekere kennis hebben over de ontwikkeling van leerlingen, over hoe mensen leren, over motivatie en groepsprocessen, over sturing en zelfsturing, over school- en curriculumorganisatie, enfin, het is een hele vracht, dat geef ik toe.

En dat reflecteren kan maar beter wel eindeloos zijn. Althans, het is de bedoeling van de wetgever dat aan het nadenken over je vak geen einde komt als je als leraar afgestudeerd bent. Anders kun je net zo goed columnist worden.