Ik ben naar het museum en niet naar het raam.

Door Marc van Oostendorp

 

Waarom kun je wel zeggen ‘Ada is naar het museum’? en niet ‘Ada is naar het raam’? Het is een van de bij mijn weten nooit eerder gestelde vragen die wordt opgeworpen in het nieuwe nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde.

De Nederlandse syntactici doen de laatste jaren iets wat heel nuttig is en tegelijkertijd voor zover ik kan zien uniek op de wereld, in ieder geval voor syntactici: ze praten met elkaar. Een keer per jaar discussiëren deskundigen op dat, in het buitenland vaak door enorme wetenschappelijke twisten verscheurde gebied over de grenzen van de eigen theoretische aannames heen tijdens de Dag van de Nederlandse Zinsbouw (de volgende is op 28 november in Utrecht). Dat levert altijd wel een nieuw pikant feitje op – of op zijn minst een vraag.

Vorig jaar was het voorzetselvoorwerp een van de onderwerpen van gesprek, en nu publiceert Nederlandse Taalkunde onder andere de bijdrage van Joost Zwarts over voorzetselvoorwerpen die een richting uitdrukken, zoals ‘naar het museum’.


Normaal gesproken drukt naar, in een zin als ‘wij vertrokken naar het museum’, twee dingen uit: er is sprake van een beweging, en het doel van de beweging is het museum. (In het laatste verschilt naar van uit in We vertrokken uit het museum’ of via in ‘we vertrokken via het museum’: ook daar is sprake van beweging, maar is het museum de oorsprong of de route.) Zwarts laat zien dat je richtingvoorzetsels soms wel en soms niet met een koppelwerkwoord kunt gebruiken:

  • Ada is naar het museum.
  • De auto is naar een garage.
  • Bob is naar Amsterdam.
  • Zij is naar haar vader.
  • Ada is naar het raam. [uitgesloten]
  • De auto is naar het kruispunt.  [uitgesloten]
  • De hond is naar de boom. [uitgesloten]
  • Zij is naar de hond. [uitgesloten]
Op de keper beschouwd, zegt Zwarts, zeg je met de zinnen die wel goed zijn niet zozeer dat Ada of de auto zich op dit moment in een bepaalde richting beweegt. Ze kunnen best allang op de plek van bestemming zijn aangekomen als je dat zegt. Andere voorzetsels van beweging kun je trouwens ook niet zonder meer in deze constructie gebruiken: ‘Ada is uit het museum’ betekent dat Ada zich ergens bevindt, namelijk buiten het museum; en ‘Ada is via het museum’ kun je helemaal niet zeggen.
 
In plaats daarvan duidt naar op een metaforisch doel. ‘De auto is naar de garage’ betekent ‘De auto is in de garage en hij is daar met een bepaald doel’, namelijk om gerepareerd te worden. Datzelfde geldt voor alle andere zinnen die ik hierboven heb goedgekeurd. Het probleem met de uitgesloten zinnen is dat het moeilijk is om zo’n doel te construeren; als dat wel lukt, wordt de zin minder raar.  Ik vind de zin over de hond en de boom bijvoorbeeld minder vreemd, omdat ik me best kan voorstellen dat een hond een vaste boom heeft waar hij altijd zelfstandig zijn behoefte doet, en dat je dan die zin kunt zeggen.