Hé! Nieuwe Nederlandse voegwoorden!

Door Marc van Oostendorp


“Waarom”, vroeg mijn vrouw onlangs aan mij, “gebruiken jullie cho als voegwoord?” Ja, daar stond ik wel even van te kijken. Cho?

Jullie moeten weten dat mijn vrouw uit een of ander land komt waar heel veel niet-moedertaalsprekers wonen, en dat ze altijd op zoek is naar bewijzen dat het met de Nederlandse taal niet helemaal snor zit. Maar zo zout had ik het toch nog niet gegeten. Cho?

Ze was naar een bijeenkomst geweest, waar een vrouw dat de hele tijd had gezegd, om bijzinnen in te leiden. “Ik zei toen tegen haar cho je hebt dat toch al wel gedaan? En zij antwoordde cho ik heb daar niet aan gedacht.”

“Oh”, zei ik: “goh!

“Maar dat is helemaal geen voegwoord, dat is iets anders!” Toen ik erover nadacht, wist ik toch ook niet zo goed wat er dan anders was. En de afgelopen weken begon me ineens ook op te vallen hoe vaak mensen dat goh gebruiken om een zin in te leiden, en dan vooral een bijzin.
Ik weet niet of er veel geschreven is over de syntaxis van goh, ik heb het in ieder geval niet kunnen vinden. (Meestal komt als ik zoiets schrijf Ronny Boogaart in het reactiepaneel vertellen dat Schönfeld of zo iemand er al iets over gezegd heeft, dus daar hoop ik nu weer op.) Het lijkt mij in ieder geval een soort tussenwerpsel dat je bijvoorkeur aan het begin van de zin gebruikt, een voorwerpsel dus eigenlijk:

– Goh, dat wist ik niet.
– Dat goh wist ik niet / Dat wist goh ik niet / Dat wist ik goh niet / Dat wist ik niet goh. [raar]

Hoofdzinnen

Al die vormen die ik hier als ‘raar’ markeer, kunnen alleen wanneer je iets raars doet met de zinsmelodie, iets dat je met komma’s zou weergeven, zodat je de zin in zekere zin in deelzinnen opbreekt. Het raarst is geloof ik Dat wist goh ik niet, waarin je werkwoord en onderwerp uit elkaar haalt; die zitten zo vast aan elkaar geketend dat je er niks tussen krijgt.

En het begon me ook ineens op te vallen hoeveel mensen goh inderdaad gebruiken aan het begin van een bijzin: daar mag het de zin dus wel ineens openbreken. “Ik dacht goh dat wist ik niet.” Mijn vrouw was het kennelijk niet eerder opgevallen dat mensen goh in hoofdzinnen gebruiken, alleen in bijzinnen. (Meestal komt als ik zoiets schrijft Ton van der Wouden in het reactiepaneel vertellen dat in het Corpus Gesproken Nederlands goh 3252 keer voorkomt, waarvan 1298 keer in hoofdzinnen, dus daar hoop ik nu weer op.)

Wonderlijk

De betekenis van verbazing zit er nog steeds in, en het kan alleen met bijzinnen die iets uitdrukken dat gezegd of gedacht is, maar er is ook iets vreemds mee aan de hand: waarom zeggen mensen daar goh? Het is toch niet de bedoeling om een letterlijke weergave te geven van wat er gezegd is, het is een soort verbazing. Je kunt het trouwens ook doen met hé: “Ik dacht dat wist ik niet”.

De woordjes  en goh zijn met andere woorden signaalwoordjes die aangeven: nu komt er een zin die door de spreker als wonderlijk wordt beschouwd, ongeveer zoals of (ik vraag of hij komt) aanduidt dat de volgende een vraag is. Een verschil is vooralsnog dat  en goh geen bijzinsvolgorde vereisen van de volgende zin – je zegt niet ik zeg goh ik dat niet wist –, maar anderszins zouden ze weleens op weg kunnen zijn voegwoorden te worden.