Worden mensen taalmoe?

Literatuur en taalwetenschap in discussie

Door Marc van Oostendorp


Kunnen wetenschappers en kunstenaars met elkaar praten? Begrijpen schrijvers en taalkundigen elkaar bijvoorbeeld wel wanneer ze het over taal hebben? Presentator Wim Brands maakt nogal wat misbaar aan het begin van de bovenstaande, onlangs opgenomen, video, waarin de romancier A.F.Th. van der Heijden en de Nijmeegse hoogleraar Pieter Muysken met elkaar in gesprek zijn. Het half uur durend gesprek was een “experiment”,waarschuwde hij nadrukkelijk, met alle kans van mislukken.
De vorm van het experiment is eenvoudig: de deelnemers stellen ieder één vraag over taal aan de ander. Van der Heijden en Muysken horen bovendien duidelijk tot de top van hun vak, zijn allebei alom gelauwerd en geroemd, zijn welbespraakt, en hebben een brede blik op de taal en op de samenleving. Toch breekt er binnen enkele minuten spraakverwarring uit, en hebben de twee elkaar uiteindelijk geloof ik weinig te bieden.

Agressieve toon
Van der Heijden mag beginnen. “Wat me nou al vele jaren stoort,” zegt hij, “is het dédain waarmee vaak gesproken wordt over de complexiteit van die taal. Er is altijd die eis – ik zeg eis, ik had eigenlijk wens willen zeggen, maar een wens die vaak de agressieve toon van een eis krijgt – om taal te versimpelen, om niet zulke moeilijke woorden te gebruiken: houd het gemakkelijk, houd het gewoon. (…) Ik vraag me af: is dat nu iets van deze tijd? Heeft het misschien met democratie te maken, dat we altijd luisteren naar het jongetje of het meisje in de klas dat het minst goed kan meekomen? Of is daar iets fundamentelers aan de hand, (…), een taalmoeheid die cyclisch in de geschiedenis optreedt? Dat mensen taalmoe worden en oververzadigd raken van taal? Wat is dat voor eis van versimpeling – een veel grotere versimpeling dan ik zou kunnen opbrengen?”
Wat moet je daar nu als wetenschapper op zeggen? Het lijkt me dat de stelling in ieder geval wat concreter zou moeten zijn dan hij nu wordt gesteld voor je er echt iets over kunt zeggen? Wat zijn dat voor mensen die “op agressieve toon” eisen dat we niet al te moeilijke woorden gebruiken? Waarom denkt u dat dit iets is van onze tijd, of anders iets cyclisch? Weet u wel zeker dat die mensen dat niet alleen tegen u zeggen, maar ook tegen anderen? En hoe rijmt u de door u geobserveerde agressie met het voor buitenstaanders beter waarneembare feit van uw grote status in de Nederlandse literatuur?
Literaire taal
Maar Muysken is dapper, en beleefder dan ik, en begint een taalkundig inzicht uit te leggen: dat talen die door kleine gemeenschappen, op eilanden of in de bergen, gesproken worden de neiging hebben complexer te zijn dan talen die over grote gebieden zijn uitgestrekt. Dat komt waarschijnlijk doordat die laatste talen door allerlei buitenstaanders geleerd moeten worden die geen boodschap hebben aan de subtiliteiten van allerlei vervoegingen en verbuigingen en andere tierelantijnen die kinderen op kleine eilanden moeiteloos oppikken. (Het onderwerp werd uitgewerkt in het door Muysken en mij begeleide proefschrift van Wouter Kusters.) 
Dat is allemaal juist, maar het gaat over een ander soort complexiteit dan Van der Heijden bedoelt, en waarschijnlijk zelfs over een ander soort complexiteit: niet over het literaire gebruik van taal, niet over de vraag waarom in Van der Heijdens perceptie er zo weinig aandacht is voor zijn literaire taal, maar over de grammatica die de taalgemeenschap als geheel hanteert.
Onvrede
Op een bepaald moment krijgt Muysken dat ook in de gaten: het gaat over een volgens hem “verwaarloosde” functie van taal: dat deze ook mooi moet zijn. Maar aan de ene kant houdt het gesprek daarmee eigenlijk snel op, want als taalkundige heeft ook Muysken daar weinig over te zeggen. Bovendien werpt hij – enigszins in strijd met die verwaarlozing – nog op dat rappers ook heel creatief zijn, maar dat stuit op enige hoon van Van der Heijden.
Het is daarmee een klassiek gesprek tussen een taalgebruiker en een taalkundige. De eerste zoekt vooral erkenning voor zijn eigen onvrede met het totale verval in onze tijd. De tweede ziet geen rationele redenen om daar zo ontevreden over te zijn en kan dus eigenlijk niets terugzeggen.