Een ontleedprobleempje: het rare van deze situatie?

Door Marc van Oostendorp


Wat is de woordsoort van rijke in de rijke of rare in het rare van deze situatie? Zijn dat zelfstandig naamwoorden zoals rijkaard en snuiter, of bijvoeglijk naamwoorden zoals rijke en rare?

Daarover gaat, onder andere, een nieuw artikel van de taalkundigen Louise McNally en Henriëtte de Swart. Dat artikel behandelt een lastig detail van de zinsontleding en staat vol met allerlei mooie kleine observaties (voor een deel nieuw, voor een deel gebaseerd op het werk van Ellen-Petra Kester).

Zo kun je op het eerste gezicht vrij gemakkelijk vaststellen dat rijke een zelfstandig naamwoord is, bijvoorbeeld aan de hand van de volgende constructie:

Die rare rijke

Bij rijke kan kennelijk een bijvoeglijk naamwoord staan, en dus moet het wel een zelfstandig naamwoord zijn: bijvoeglijk naamwoorden worden alleen vergezeld van een bijwoord.
 Die bewering kan alleen nogal gemakkelijk ontkracht worden doordat je juist ook bijwoorden kunt toevoegen, en het woord ook in een vergrotende of overtreffende trap kunt plaatsen:

  • De zeer rijken lijden nauwelijks onder de crisis.
  • De beste van de klas is blijven zitten.

Die rare rijke moet je dan vermoedelijk zien als een opeenvolging van bijvoeglijk naamwoorden (zoals in die rare rijke snuiter). Waar de meervoudsuitgang in rijken vandaan komt, die natuurlijk juist wijst op een status van zelfstandig naamwoord, zeggen McNally en De Swart niet – misschien zegt Kester er wel iets over maar dat kon ik zo snel niet vinden.

Nog nieuwer zijn geloof ik de observaties over het rare in deze constructie. Het gaat dan niet meer om een persoon, maar om een bepaalde onafgebakende hoeveelheid van iets (in dit geval een hoeveelheid rarigheid). Dan kunnen weliswaar sommige bijvoeglijk naamwoorden alleen in de bijwoordvorm gebruikt worden, wat wijst op bijvoeglijknaamwoordschap:

  • Het recent besprokene (niet: het recente besprokene)
  • Het moreel goede (niet: het morele goede)

Maar bij andere woorden hebben we juist een duidelijke voorkeur voor de verbogen vorm:

Het verschil heeft iets te maken met de relatie tussen het bijwoord/bijvoeglijk naamwoord en het bijvoeglijk/zelfstandig naamwoord: in het recent besprokene neem je als het ware al het besprokene uit de geschiedenis der mensheid in overweging en neemt daar een deelverzameling uit, namelijk hetgene dat recent besproken is. Zo ook bij het moreel goede: neem al het goede op de wereld en daarvan het deel dat specifiek moreel goed is. Zo is die relatie bij het enige bijzondere of het andere leuke niet: je neemt niet alles in beschouwing dat bijzonder is in Pisa en daarvan het enige, of al hetgene dat leuk is en daarvan het andere.

De verklaring die McNally en De Swart geven waarom dat in het ene geval een uitgangs-e onmogelijk maakt en in het andere geval juist bijna verplicht, is heel technisch en weer eens een reden te meer om te wanhopen wanneer je als anderstalige probeert perfect Nederlands te leren.

Er is één punt waarop de auteurs volgens mij niet precies genoeg zijn. Als argument tegen het idee dat blinde een zelfstandig naamwoord is, zeggen ze dat het geen verkleinwoord kan hebben: je kunt van een ziener een zienertje maken, maar van een blinde geen blindetje. Het probleem met dat argument is dat woorden die op de of te eindigen altijd moeilijk een verkleinwoordsvorm aannemen: een boetetje of een schadetje zijn ook hoogst dubieuze woorden, terwijl boete en schade bona fide zelfstandig naamwoorden zijn die nog nooit op enig ongepast bijvoeglijknaamwoordengedrag zijn betrapt.