Taal van de betere standen

Door Marc van Oostendorp


‘Hoe komt het nu’ zei een dame gisterenavond tijdens de koffiepauze, ‘dat wij netjes praten en arbeiders plat?’

Verwachtingsvol keek ze me aan. Ik was verzeild geraakt bij de betere standen. Vorig jaar was ik uitgenodigd om een keer een lezing te komen geven over de geschiedenis van de Nederlandse taal.

Ik dacht dat het daarbij ging om een bejaardenhuis in Wassenaar en omdat iedereen mij altijd kan inhuren voor een praatje, had ik ja gezegd. Het bleek te gaan om een landgoed waar temidden van een goed onderhouden park inderdaad oudere gegoede Nederlanders ruime vijfkamerappartementen kunnen betrekken met een gemeenschappelijke huismeester, koks, en bedienend personeel. Af en toe hebben ze een culturele avond, waar een geleerde een dansje komt doen.

Er bestaat eigenlijk geen onderzoek naar de taal van de betere standen.
Er is een béétje onderzoek gedaan naar het specifieke eigen woordgebruik van de adel, maar de grotere klasse van patriciërs en mensen die het van huis uit allemaal hebben meegekregen zonder dat ze nu meteen jonkheer voor hun naam mogen zetten, is geloof ik een volkomen onontgonnen terrein. Taalkundigen die interesse hebben voor sociale invloeden op taal richten zich om de een of andere reden altijd op de onderlagen. Op de ‘arbeiders’; in de oude dialectologie op de boeren, en in de moderne variatielinguïstiek op de nieuwe Nederlanders. Om Wassenaar en Bloemendaal rijden we met een grote boog heen – alsof ze minder ‘echt’ zijn, alsof het taalleven op zo’n horst niet net zo rauw en werkelijk is als in Amsterdam Oost.

Ik kon dus alleen algemeenheden vertellen. Dat de vraag twee kanten bevatte: hoe komt het dat er überhaupt verschillen zijn? En hoe komt het dan dat de verschillen deze kant op uitvallen? Dat toeval volgens mij de hoofdrol speelt in het antwoord op de laatste vraag: als de geschiedenis net een beetje anders gelopen was, had de ‘arbeider’ waarachtig wel gezegd, en de mevrouw op het horst ja hoor! En dat het antwoord op de eerste vraag is dat mensen nu eenmaal zo’n beetje alles wat ze onder controle hebben gebruiken om te laten zien waar ze staan op de maatschappelijke ladder: hun kleding, hun haar, hun handtas, en dus ook hun taal.

Maar feitelijk weten we bijna niets van de taal van die mevrouw, en haar medebewoners. Ik ken trouwens ook geen enkele taalkundige die spreekt zoals zij, dus uit eigen intuïtie kan ook niemand er iets mee. Misschien moet er binnenkort om te beginnen eens een groep studenten naartoe.