De oorzaak van mijn hoofdpijn was de moeilijke sommen

Door Marc van Oostendorp

Welke werkwoordsvorm moet je plaatsen in:

– De oorzaak van mijn hoofdpijn {was / waren} de moeilijke sommen. [1]

Het is moeilijk te bepalen. De zinnen klinken allebei een beetje gek, hoewel ik de meervoudsvorm uiteindelijk geloof ik beter vind. De meeste Nederlandstaligen denken daar wel ongeveer hetzelfde over, zij het niet allemaal. Dat bleek uit een lezing die ik vrijdag in Brussel hoorde.

De voorkeur is, zo bleek in diezelfde lezing, iets groter in bijzinsvolgorde:

Ik denk dat de oorzaak van mijn hoofdpijn de moeilijke sommen {was / waren}. [2]


De reden voor dat kleine verschil is, vermoed ik, het feit dat het meervoudige sommen hier dichterbij het werkwoord staat. Eigenaardig genoeg wordt het allemaal voor veel mensen wat anders wanneer je iets voorop plaats:

– Volgens mij {was / waren} de oorzaak van mijn hoofdpijn de moeilijke sommen. [3]

Hier vinden ineens veel meer mensen het enkelvoud goed. Ik hoor zelf geloof ik ook bij die groep.

Hoe zit dat nu? De sprekers kwamen er vrijdag niet echt uit. In de laatste twee voorbeelden heeft mogelijk eenvoudigweg de afstand er iets mee te maken: het meervoudige naamwoord staat dichter bij in [2], en het enkelvoudige in [3]. Maar hoe zit het dan met [1], waar het werkwoord precies tussen de twee vormen in staat?

De Taaladviesdienst schrijft ook over deze constructie (alleen die in [1]) op zijn website, maar slaat daarbij de plank mis. “In zulke gevallen geldt over het algemeen dat het onderwerp dát zinsdeel is dat de meeste informatie geeft, of anders gezegd: dat het concreetst is,” schrijft de dienst, maar dat is ontoonbaar onjuist. Het klinkt misschien nog wel aannemelijk voor het voorbeeld dat de dienst toevallig gekozen heeft (‘het probleem zijn de grote afstanden’), maar in mijn voorbeeld kun je toch echt niet zeggen dat ‘de moeilijke sommen’ ‘concreter’ is of ‘meer informatie’ geeft dan ‘de oorzaak van mijn hoofdpijn’. Bovendien is hoe dan ook niet duidelijk waarom de ‘concreetheid’ van een en ander in [3] ineens anders zou liggen.

Hoe het wel zit? Ik durf het niet te zeggen. Het lijkt me een onopgelost probleem van de zinsontleding. Uit de lezing in Brussel bleek wel dat er met de zin in [3] nog iets aan de hand is: je kunt er de moeilijke sommen niet vervangen door zij of zelfs door hij:

Volgens mij waren de oorzaak van mijn hoofdpijn zij. [4, heel raar]
– Volgens mij was de oorzaak van mijn hoofdpijn hij. [5, heel raar]

Normaal gesproken kun je het voornaamwoord wel voor- of achteraan zetten. Vooral met hij werkt het goed, omdat je daar geen problemen met enkel- of meervoud hebt:

De oorzaak van mijn hoofdpijn {was / waren} zij. [6a]
Zij waren de oorzaak van mijn hoofdpijn. [6b]
De oorzaak van mijn hoofdpijn was hij. [7a]
Hij was de oorzaak van mijn hoofdpijn. [7b]

Wat is hier aan de hand?