Al die kerken in al die wijken. Die?

Door Marc van Oostendorp

Het interview dat de theologe en oud-parlementariër Mirjam Sterk vorige week voor de radio hield met de jonge hippe predikant Ruben van Zwieten, blijkt een feest voor de taalliefhebber.

Dat komt allereerst door het accent van Van Zwieten, die een ontmoetingscentrum is begonnen op de Amsterdamse Zuidas en die veel meer klinkt als een verdwaalde vennoot van een consultancybureau dan als een dominee. Maar het komt vooral door de manier waarop de gesprekspartners het woord die gebruiken.


Neem het volgende fragment (dat begint om ongeveer 15.30):

Mirjam Sterk: “Hé, je hebt dus met die Nieuwe Poort geprobeerd om op een andere manier, eh, daar wat eigenlijk het verhaal is van de kerk (kan ik dat zo zeggen?) neer te zetten. Hoe kijk je zelf nou tegen die kerk aan, wat is jouw gevoel daarbij?”
Ruben van Zwieten: “Ik denk dat wij in een enorme transitiefase zitten met die kerk. (…) Vorige week sprak ik bij, eh, zusters van een nonnenorde, en overal is daar besef, dit is met vijf jaar er niet meer en in al die wijken zijn men bezig met afstoten van al die kerkgebouwen.”

Het is een gebruik van die dat niet zo makkelijk terug te vinden is. Het WNT kent de betekenis wel, dus hij moet al lange tijd in gebruik zijn:

Om te kennen te geven dat eene zaak den toegesproken persoon bekend is.

  • Toen dat kind van den Hoefsmid van de brug viel, loosjes, Bronkh. 1, 7 [1806].
  • Ben je niet hier om die annonse van het adreskantoor? potgieter 2, 237 [1843].
  • Dat oude, maar nooit verouderde woord, dat Gods wegen niet onze wegen zijn, opzoomer, Waarb. v. o. vooruitg. 8.
  • Die spreuk van het dagelijksche leven … de een zijn dood is de ander zijn brood, 15
Maar het gaat volgens mij om meer dan alleen maar ‘bekend zijn’. Er is helemaal geen sprake van dat Sterk ‘die wijken’ kent, en anderzijds weet iedereen natuurlijk wel wat de kerk is. Er spreekt een zekere intimiteit uit dit die, hier zijn niet voor niets twee moderne, vlotte theologen aan het praten over de kerk. 
Die intimiteit wordt in het WNT (of Van Dale) niet genoemd. Het woordenboek noemt wel ‘geringschatting ofwel wrevel’ (De Genestet: “Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer! Hy houdt niet van die vromen”) en van medelijden (‘die bullen hebben’ betekende vroeger ‘ongesteld zijn’; waarom dat medelijden impliceert begrijp ik niet zo goed.)

Het verschijnsel blijkt ook te bestaan in het Amerikaans Engels. Er verscheen onlangs een mooi artikel over in het tijdschrift Journal of Sociolinguistics (hier is de versie van de auteurs). Zij bespreken in dat artikel de manier waarop Sarah Palin het woord that gebruikt, en laten zien dat zij dit doet om de band uit te drukken tussen haarzelf en de toegesprokenen. Zij zegt in een toespraak:

I think Americans are craving something new and different and that new energy and thatnew commitment that’s going to come with reform.

Ze heeft het op dat moment helemaal nog niet over die nieuwe energie of dat nieuwe commitment gehad, maar door that te zeggen, suggereert dat haar luisteraars het net zo goed voor zich zien, en er net zo sterk mee bezig zijn als zijzelf.

Zoiets geldt ook voor Sterk en Van Zwieten. Door die voor de kerk te zetten, halen ze hem dichterbij. “We zien hem allebei voor onze ogen”, zeggen ze, “en we hebben er hetzelfde warme gevoel bij.”