Waar bevindt zich precies ‘de grot tegenover de kerk’?

Door Marc van Oostendorp

Toen ik maandag terugkwam op mijn werkkamer, lag de nieuwe  er al! We zijn inmiddels beland bij deel IV van zijn monumentale Syntax of Dutch: 375 pagina’s over voor- en achterzetsels in het Nederlands. (U kunt het hier gratis downloaden; maar als ware liefhebber koopt u die delen natuurlijk en zet ze te pronken in uw kast.)

De wonderlijkste verschijnselen komen aan de orde: dat je wel kunt zeggen De taalprof ging de hoek om, maar niet De taalprof liep de tafel om. Dat je kantoor in De taalprof werkt momenteel op het kantoor wél van de bepaling nieuwe kunt voorzien, maar niet in De taalprof werkt momenteel op kantoor. Dat De taalprof liep drie kilometer het kanaal langs gek klinkt, terwijl die zin volkomen begrijpelijk is, en bovendien parallel aan De taalprof liep drie kilometer het bos in. 
Hoewel het boek natuurlijk gaat over de syntaxis van die voorzetsels, is er veel ruimte voor de betekenis van voorzetsels.
Er zijn bijvoorbeeld allerlei voorzetsels die ruimtelijke relaties beschrijven, zoals voor, achter, naast. Of Jan voor of achter het huis staat, hangt vooral af van hoe we het huis zien. Voor het huis betekent aan de kant van de hoofdingang van het huis, of aan de kant van het huis die naar ons is toegekeerd. De richting waarheen Jan kijkt doet er in het geheel niet toe. Iets vergelijkbaars geldt ook voor achter en naast. Jan kun je alle kanten op draaien, hij blijft achter de auto staan. Maar als je de auto omdraait, zodat de neus naar hem toegericht staat, staat Jan er ineens niet meer achter.

Het Nederlands kent één voorzetsel waar de richting van allebei de objecten ertoe doet: tegenover. Als Jan tegenover Marie staat, kijken ze naar elkaar; je kunt geen van twee omdraaien zonder die relatie te verstoren. Dat is het verschil tussen tegenover en voor, zegt Broekhuis. Tegenover is (daarom) ook symmetrisch: als Jan tegenover Marie staat, staat Marie ook tegenover Jan. Maar als Jan voor Marie staat, staat Marie doorgaans niet tegelijkertijd voor Jan.

Tegelijkertijd nuanceert Broekhuis dat weer, want hij wijst op voorbeelden zoals de volgende:

De oude kersenboom staat tegenover de kerk. (1)
Mijn auto staat tegenover de kerk. (2)

We zien kersenbomen normaliter niet als objecten die een bepaalde voorkant hebben, dus het is niet duidelijk hoe de boom in zin 1 naar de kerk toegedraaid kan zijn. Zin 2 is een nog sterker voorbeeld: wanneer je die zin zegt, betekent dat helemaal niet per se dat de voorkant van de auto naar de voordeur van de kerk gedraaid staat.

Broekhuis zegt overigens dat “perhaps we must conclude from these examples that only the orientation of the reference object is crucial”, maar ook dat lijkt me niet helemaal onproblematisch: staat mijn auto alleen tegenover de kerk als hij aan de voorkant van de kerk staat?

Een probleem is misschien dat sommige kerken twee voorkanten hebben: de toren en de kant van de kerk waar je binnenkomt. Maar tijdens mijn eeuwige zoektocht naar het Ware en het Goede kwam ik de volgende tekst tegen op een weblog:

Het vertrekpunt was gelegen aan de kerk op het Impedorp. Begin 2000 werden er grote restauratie- en herstellingswerken gestart aan de Sint- Denijskerk waarbij binnen-en buitenkant een fraaie opknapbeurt kregen. 



Tegenover de kerk staat de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesgrot.

Waar staat nu die grot in relatie tot de kerk? Dat kunnen we te weten komen wanneer we de Sint Denijs in Impe opzoeken op Google Streetview. Je kunt helemaal om de kerk heenlopen, en ontdekt dat de voordeur van de Sint Denijs daar in de toren zit. De voorkant van deze kerk is dus onmiskenbaar links op de foto geplaatst. De grot bevindt zich echter wanneer je bovenstaande foto neemt recht achter je. (Draai in Streetview dus 180 graden.)

Tegelijkertijd lijkt het me niet onverwacht, en misschien wel onoverkomelijk voor de interpretatie van de grot staat tegenover de kerk dat Maria in het bovenstaande plaatje naar de kerk kijkt. Wanneer de grot omgedraaid zou zijn, zou de grot naar mijn gevoel niet tegenover de kerk staan.

Ik denk dus dat Broekhuis geen gelijk heeft dat alleen de oriëntatie van het referentieobject ertoe doet. Wanneer een van de twee betrokkenen een mens of een dier is, moet deze denk ik altijd naar de ander kijken wil er sprake zijn van tegenover.