Taal verandert in één klap

Door Marc van Oostendorp


Hoewel de Amerikaanse taalkundige William Labov vorige maand 86 geworden is, blijft hij verbazen. Nu vond ik op zijn website weer een mooi nieuw artikel waarin hij een van de grote controverses van de taalwetenschap uit de afgelopen twee eeuwen aanpakt. We weten dat de uitspraak van talen voortdurend verandert, maar hoe gebeurt dat? Verandert eerst het ene woord een beetje, en dan het andere? Of veranderen woorden allemaal tegelijk?

De grote wetenschappelijke doorbraak van de taalkunde in de negentiende eeuw kwam toen taalkundigen dat laatste aannamen:
wanneer de ij verandert in [aj], dan gebeurt niet eerst in het woord tijd en pas een paar jaar later in kijk, terwijl het woord blij nog enkele decennia op de oude manier wordt uitgesproken: de ij’s passen zich allemaal aan.

Die aanname maakte de taalkundige methode wetenschappelijk: er waren niet alleen maar tendenties met allerlei uitzonderingen, maar taalveranderingen waren even keihard als natuurwetten.
Wanneer je zogenaamde uitzonderingen vond, moest daar altijd een onafhankelijke verklaring voor zijn.

Dit dwong onderzoekers heel precies na te denken; op die manier hebben ze dode talen heel nauwkeurig kunnen reconstrueren.

Een moes in het huus

Er is ook altijd kritiek geweest op die gedachte. Dialectologen beweerden bijvoorbeeld altijd al dat ‘ieder woord zijn eigen geschiedenis heeft’. Een bekend voorbeeld voor het Nederlands komt van G.G. Kloeke, die liet zien dat huis en muis een verschillende geschiedenis hadden gehad. Ze werden ooit in heel ons taalgebied uitgesproken met oes. 

Die uitgang veranderde ergens in Holland eerst in uu (huus, muus) en daarna in ui (huis, muis). Die veranderingen verspreidden zich vervolgens langzaam over het taalgebied, maar dat ging niet voor allebei de woorden even snel. In de bovenstaande kaart (gebaseerd op het werk van Kloeke) is een gebied, afgebakend met een gestreepte grens, wordt in de dialecten al wel huus gezegd, maar ook nog moes.

De laatste jaren wint de gedachte dat woorden een voor een veranderen aan populariteit, bijvoorbeeld omdat onderzoekers sceptisch staan bij de gedachte dat taal meer is dan een verzameling woorden en zinsconstructies, dat er ook een systeem achter zit.

Kaik of laik

Met een groot aantal onderzoeken die hij samen met zijn mensen de afgelopen jaren heeft uitgevoerd in Philadelphia laat Labov nu zien dat die oude negentiende-eeuwers er toch niet ver naast zaten.

In het dialect van Philadelphia is de uitspraak van de ey-klank langzaam maar zeker aan het veranderen. Hoe hij ook zoekt en telt en meet en statistiek bedrijft, er is geen enkele reden om te denken dat die klank in het ene woord sneller veranderd is dan in het andere. (Zoals er bij mijn weten ook geen aanwijzingen zijn om te denken dat de Poldernederlandse ai eerder is doorgedrongen in kaik dan in laik of andersom; maar hierover is nog niet genoeg gezocht, geteld, gemeten en statistiek bedreven.)

Contact

Hoe zit dat nu? Je kunt toch ook weer niet beweren dat Kloeke en de zijnen ongelijk hebben? Labov oppert aan het eind van zijn artikel, min of meer in lijn met wat hij eerder al heeft geschreven, dat er sprake is van twee soorten taalveranderingen. De ene werkt zoals de negentiende-eeuwers dachten: uitzonderingsloos wordt ieder woord dat het betreft tegelijkertijd een beetje veranderd. Een dergelijke verandering gebeurt binnen een taal, en taallerende kinderen spelen er een belangrijke rol in. De andere verandering, die van de dialectologen en de systeemsceptici, vindt typisch plaats in situaties waarin twee talen of dialecten in contact staan met elkaar.

Sprekers van de ene taal nemen een manier van spreken over van de sprekers van de andere taal; maar ze doen dit alleen voor individuele woorden.