De doorbraak van niks

Door Marc van Oostendorp


Ik schrok even op toen ik vanochtend het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde las. Temidden van een interessante discussie over de vraag of zullen nu wel of niet een hulpwerkwoord van toekomstige tijd is, schrijft Ronny Boogaart ineens plompverloren:

Maar V&B; doen iets anders. Voor hen heeft de toekomstlezing van zinnen met zullen helemaal niks met de betekenis van zullen te maken.

Ik schrok daar ondanks mezelf even van, en dacht terug aan de middelbare school. Daar ben ik een keer door een leraar toegesproken omdat ik in de schoolkrant niks geschreven had. Foei! En nog geen vijfendertig jaar later schrijft een zeergeleerde neerlandicus, die niet veel jonger is dan ik, het zomaar in een geleerde discussie: de alinea waar dit uitkomt bevat verder woorden als modaal, temporeel, lokaliseren en oppositie.

Ik meteen zoeken. Het WNT spreekt van ‘gemeenzame taal‘. Nu is het WNT ouder dan de schoolkrant. Van Dale is wat onduidelijker. Het bijwoord (‘er is niks geen reden om bang te zijn’) wordt gelabeld als ‘spreektaal, volkstaal’. (Wat een label is dat trouwens, ‘volkstaal’!) Maar bij het gebruik als voornaamwoord zegt het alleen dat het een synoniem is van niets en in 1784-85 ontleend aan het Duits. Alleen dat is niet niks is kennelijk wel weer ‘volkstaal’.

NRC Handelsblad heeft vorige week zijn archieven opengegooid, dus het leek me aardig om dat instrument ook eens te gebruiken. Op het internet kun je nu alle artikelen uit de krant én de website van de afgelopen decennia doorzoeken. Het woord niks blijkt daar duidelijk in opkomst. In de maand januari stond het in 1990 17 keer in de krant, in 1995 84 keer, in 2000 90 keer, in 2005 119 keer, in 2010 133 keer en in 2013 256 keer.

Nu zegt dit nog niets (niks), want het kan zijn dat er nu eenmaal steeds meer woorden zijn opgeslagen: de krant werd dikker, de website uitgebreider. Je moet het dus met andere woorden vergelijken. Helaas vindt de zoekfunctie van de NRC het woord niets ‘te algemeen’. Het moet dus met een wat specifieker woord vergeleken worden. Daarvoor kies ik het woord schaap: ik ga ervan uit dat daarover altijd ongeveer evenveel te melden is in de kranten (er blijkt een kleine piek te zijn geweest in 2001, waarschijnlijk in verband met de gekkekoeienziekte). Hier zijn de getallen voor schaap: 6 (1990), 28 (1995), 30 (2000), 15 (2005), 21 (2010), 20 (2013).  Afgezien van het allereerste jaar is er dus veel minder stijging voor dit woord.

Ook een controle bij de DBNL (die ook al een nieuwe zoekmachine heeft) levert interessante dingen op. Bijvoorbeeld een vroegere datering dan 1784-8. Jacob Campo Weyerman schreef al in 1724:

de Menschen zoude by nacht en by ontyde, malkanderen de pook op ’t lyf zetten, als of het gaar niks was

Bovendien komen de laatste vindplaatsen in de DBNL ook uit een geleerd, neerlandistisch werk: Anneke Fleurkens commentaar op de Brabbeling van Roemer Visscher.

Niks: ergens in de achttiende eeuw is het tot ons gekomen. Lange tijd werd het als ‘gemeenzaam’ en ‘volkstaal’ gezien, maar in de eenentwintigste eeuw heeft het ook de hoogste registers van de taal bereikt.