Loflied op de discipline

Door Marc van Oostendorp


Toen de Groene anderhalf jaar geleden bèta-onderzoekers enquêteerde, ging dat over ‘de grootste doorbraken in de wetenschap’. Deze week publiceerde de krant een soortgelijk onderzoek onder geesteswetenschappers. Nu ging het natuurlijk niet over grote doorbraken, stel je voor; het ging in plaats daarvan onder andere over de vraag of de geesteswetenschappen eigenlijk wel nut hebben.

Een van de opvallende uitkomsten is dat heel veel van de ondervraagden hun heil zoeken in de interdisciplinariteit. “Het meest vernieuwend,” schrijft de taalkundige Pieter Muysken, “is de kruisbestuiving met de paleo-antropologie, archeologie en genetica in de fylogenetische modellering van taalverandering en –evolutie.” De letterkundige (en bestuurder) Wiljan van den Akker: “Samenwerking met onderzoekers van andere, nieuwe media en sociale wetenschappers levert nieuwe vraagstellingen op: wat verstaan jongere generaties onder literatuur?”

En zo voort, en zo verder. Er is voor zover ik heb kunnen nagaan onder die 103 onderzoekers er geen één die opkomt voor de discipline.
Toch is dat vreemd. We kunnen toch niet allemáál doorlopend interdisciplinair of multidisciplinair onderzoek doen in het leven. De termen veronderstellen dat onderzoekers uit verschillende disciplines samenwerken of voor het onderzoek hun disciplines combineren. Maar als iedereen interdisciplinair is, of multidisciplinair, wie verzorgt dan de disciplines? En als er geen disciplines meer zijn, waar is dan het interdisciplinair onderzoek?

Het is dus kennelijk niet zo modern om tegen de Groene te zeggen, maar er is iets moois aan de discipline, het vak, het handwerk. De historicus die de archieven induikt en er pas weer uitkomt als hij een sluitend verhaal heeft gecomponeerd. De wiskundige die zich een paar weken opsluit in zijn kamer om een bewijs rond te krijgen dat alleen door andere wiskundigen begrepen gaat worden. De vakman of -vrouw die een bepaald vakgebied tot in de puntjes beheerst, die misschien een beetje wereldvreemd is, maar wel een klein stukje van de menselijke kennis onder zijn beheer heeft. Kennis waar weinig emplooi voor is, maar die we wel willen doorgeven op volgende generaties. Een man of vrouw die de hele wereld ziet door het prisma van die ene discipline, die alles benadert als een taalkundige, of een werktuigbouwkundige, of een bioloog.

Ik heb nooit mooier gesprekken gehoord dan die tussen twee dialectologen die tegen elkaar opboden wie voor de meeste Limburgse dialecten precies kon reconstrueren hoe de zin Hij heeft de bloemen bij zich zou klinken. Of het moesten de twee fonologen zijn die, tijdens een congres, een zo ingewikkeld mogelijk geval van counterbleeding te construeren. In geen van beide gevallen was in de wijde omtrek een fylogeneticus aanwezig.

Interdisciplinair en multidisciplinair onderzoek zijn natúúrlijk belangrijk en prachtig. Wie kan daar nu tegen zijn? Het kan interessante resultaten opleveren en het is heel belangrijk om ervoor te zorgen dat de resultaten van je onderzoek kunnen worden ingebed in het grotere gebouw van de wetenschap. Het is belangrijk dat er onderzoekers zijn die zich daar mee bezig houden, het is misschien zelfs belangrijk dat alle onderzoekers er zich af en toe mee bezig houden.

Maar in de massale roep erom in De Groene klinkt onzekerheid: laten we in vredesnaam ons maar vermengen met paleoantropologen, genetici en media-onderzoekers, zodat de ambtenaren met hun kapmessen ons niet meer zien. Ik geloof niet dat de beta-wetenschappers zo doorlopend hameren op interdisciplinariteit; die zijn meer bezig met grootse ontdekkingen.

(full disclosure: ik kom zelf ook aan het woord in de gewraakte bijlage; ook daarin geen woord over discipline)