Die niederländische Sprache ist natürlich keine Form des Türkischen

Door Marc van Oostendorp


Wie een leesbare, overzichtelijke en actuele inleiding in de Nederlandse taalkunde wil lezen, kan maar beter Duits leren. Onlangs verscheen Niederländische Sprachwissenschaft. Ik geloof niet dat er momenteel een beter boek bestaat.

Is dat geen slecht nieuws? Moeten nu zelfs de inleidingen in de Nederlandse taalkunde uit Duitsland komen? Het lijkt me vooral goed nieuws. Het laat zien dat er in Duitsland een groep mensen met groot enthousiasme en talent bezig is een nieuwe generatie goede neerlandici op te leiden. Wanneer de politiek in de Lage Landen eerdaags besluit dat al dat studeren overbodige onzin is, blijft het vak in ieder geval bestaan. (Overigens schreven een Nederlander en een Vlaming ieder ook een hoofdstuk: Truus Kruyt over lexicologie en Gunther De Volgelaer over taalvariatie. Bovendien hebben veel Nederlanders en Vlamingen hoofdstukken proefgelezen.)
Niederländische Sprachwissenschaft is leesbaar: het is overwegend geschreven in een stijl die ideaal is voor een studieboek: droog zonder saai te zijn. Het hoofdstuk over taalverandering begint met een artikel uit de Telegraaf van augustus vorig jaar over de theorie dat het Nederlands (de Indo-Europese talen) uit Turkije zouden komen, en vervolgt dan:

Die niederländische Sprache ist natürlich keine Form des Türkischen, aber was für eine Sprache ist es denn dann? Wo kommt das Niederländische her, wie ist es entstanden? Wieso ähneln sich die niederländische und die deutsche Sprache? Wieso ähnelt das Niederländische so sehr dem Plattdeutschen? Wieso meinen so viele Menschen, dass das Niederländische ein deutscher Dialekt ist, und wundern sich dass man es als Fach studieren kann?

Op al die vragen wordt vervolgens beknopt en helder informatie verschaft. Want Niederländische Sprachwissenschaft is overzichtelijk: in zo’n 240 pagina’s krijgt de lezer een overzicht van de basisbegrippen van de historische taalkunde, de lexicologie, de morfologie, de syntaxis, de fonologie, de pragmatiek, de taalvariatie, de taalverandering en ‘methoden van de taalwetenschap’ en ziet dit alles toegepast op het hedendaagse Nederlands van Nederland en Vlaanderen (met een paar kleine uitstapjes naar andere tijden en plaatsen). De enige twee onderwerpen die ik een beetje mis, zijn de semantiek en de computertaalkunde.

Niederländische Sprachwissenschaft is vooral ook verbazingwekkend actueel. Zoals gezegd wordt verwezen naar een stukje uit De Telegraaf van 2012, maar als voorbeeldmateriaal fungeert bijvoorbeeld ook een stukje uit de rede die Willem-Alexander dit jaar uitsprak toen hij de troon besteeg. Er is bovendien aandacht voor actuele jongerentaal (haaj Mish!!! ben je r? kmoet je wat vertelle :-)) en de studenten worden uitgenodigd om allerlei websites te raadplegen, bijvoorbeeld voor de opdrachten (‘Vergleichen Sie (z.B.  über Google Books) eine Grammatik aus dem 18. Jahrhundert mit der ANS; was fällt auf?’)

Zo’n boek zou je eigenlijk in het Nederlands moeten vertalen.

Ute K. Boonen en Ingeborg Harmes. Niederländische Sprachwissenschaft. Eine Einführung. Tübingen: Narr Verlag, 2013. Informatie bij de uitgever.