Hoe wetenschappelijk is de taalwetenschap

Door Marc van Oostendorp


Het begon ermee dat een bevriende psycholinguïste me vorige week vertelde dat veel psycholinguïsten liever geen ‘taalkundige’ (of linguist) genoemd worden. Ze vinden de psycholinguïstiek geen tak van de taalkunde, zoals ik zou denken, maar iets wat veel beter is dan de rest van de taalkunde – veel wetenschappelijker.

Ik weet wel waar dat idee van komt: het gaat om de kwaliteit van de data. De psycholinguistiek is op dit vlak een ware dochter van de psychologie: er is in de loop van de afgelopen decennia een enorme batterij opgezet aan experimentele methodologieën, manieren om nieuwe gegevens te verzamelen en deze statistisch te evalueren.

Je krijgt weleens de indruk dat dit is wat wetenschap betekent voor een psycholinguist: de mens heel precies in een laboratorium observeren – niet proberen hem te begrijpen.
Want taalkundige theorieën zijn verdacht, hersenspinsels, ‘niet objectief’ en daarmee niet wetenschappelijk. Er valt geen precieze methodologie op te stellen over hoe je een nieuwe theorie moet ontwikkelen. En een activiteit waarvoor geen precieze regels bestaan (een creatieve daad, met andere woorden) is bedenkelijk. Theoretici volgen de collega die het hardste roept, het is allemaal sociologie en geen wetenschap.

Vanuit dat oogpunt bezien zijn de taalkundigen op een suspecte manier bezig – en de theoretici wel het meest. De meeste gegevens worden op een heel eenvoudige wijze verkregen. De taalkundige bedenkt zelf dat je de n wel kunt weglaten in de deur is open, maar niet in je wilt dat ik de deur open. Hij vraagt misschien nog even aan een collega of die het daar mee eens is: een nieuw feit is geboren. Niks experiment onder gecontroleerde omstandigheden, niks standaardparagraaf in het artikel dat de methodologie beschrijft.

Hoe vreselijk onwetenschappelijk! Geen wonder dat die psycholinguisten zich daar niet mee willen associëren!

Dit weekeinde sprak ik dan weer met een andere jonge psycholinguïst, die ook in de taalkunde is opgeleid, en zich niet schaamt voor zijn achtergrond. Sterker nog, die vindt dat zijn collega’s wel wat kunnen leren van de veel eenvoudiger methodologie van de taalkundigen.

We weten inmiddels dat op het gebied van de syntaxis, bijvoorbeeld, 95% van de gegevens in leerboeken en vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften experimenteel gerepliceerd kan worden (zie hier en hier). Dat is een verbazingwekkend hoog cijfer: het is maar helemaal de vraag of dat getal ook geldt voor de gegevens in de psycholinguïstiek.

We kunnen dat laatste maar moeilijk nagaan, en daar zit hem nu net de kneep. Het is heel, heel (heel) makkelijk om een replicatie te doen voor theoretische data: je hoeft als lezer alleen maar bij jezelf na te gaan of het klopt, of het anders aan een moedertaalspreker te vragen. Dat betekent dat de gegevens, zeker die uiteindelijk in leerboeken belanden, tientallen of misschien zelfs honderden keren opnieuw getoetst zijn.

Dat geldt voor ‘gegevens’ in de psychologie niet; doordat de experimenten zo vreselijk precies zijn opgezet, is het al bijna onmogelijk om ze één keer te repliceren. Laat staan honderden keren. Het is dus veel moeilijker om te bepalen of een bepaald ‘gegeven’ uit zo’n experiment een toevalstreffer is.

Dat betekent natuurlijk niet dat al die experimenten maar onzin zijn – je kunt er dingen uit leren die je nooit kunt vaststellen door er zelf even over na te denken. Het betekent wel dat je zou hopen dat die psycholinguisten hun hoogmoed opgeven en erkennen dat ook zij wel degelijk taalkundigen zijn.