Over eigenaardige bijvoeglijknaamwoordsgroepen bij gebrek aan zwaarwegender zaken


De trappen van vergelijking: moeilijk, moeilijker en moeilijkst, er lijkt niets moeilijks aan. Gelukkig heeft zo’n schijnbaar lekker lopend systeem toch altijd rafelige randen waar de meest spannende dingen gebeuren. Zo schreven Folgert Karsdorp en ik een paar jaar terug een stukje over het hoe en waarom van de omschrijvende overtreffende trap (meest X, als in het SBS-6 programma “De 25 meest mooie tv-momenten”, of als in de vorige zin). Het bleek best goed te voorspellen te zijn waarom mensen kiezen voor het meest ingewikkelde probleem, maar nooit het meest mooie huis over hun lippen krijgen. De ‘formule’ is hier: hoe langer het bijvoeglijk naamwoord, hoe meer kans op die omschrijvende vorm. Een s aan het einde (malsste of meest malse) of de uitheemsheid van een woord (flamboyantste of meest flamboyante) zijn ook goeie voorspellers van de omschrijvende vorm. Die rafelrand was dus redelijk in het gareel gebracht. Maar toen dit.

In de trein viel m’n oor op iemand die het had over een steeds snel groeiendere groep mensen of iets dergelijks. Het precieze voorbeeld weet ik niet meer. Maar wat me bijbleef, was dat groeiendere, een tegenwoordig deelwoord dat een vergelijkende trap bij zich heeft.
Dat is gek: je kan namelijk prima het woordje snel die -er uitgang geven: de steeds sneller groeiende groep mensen. Maar zo gek was het ook weer niet. Ik twijfelde of het echt tegen mijn taalnorm inging; of het wel echt fout voelde.
Thuisgekomen begaf ik me natuurlijk naar Google om te kijken of dit een unicum was, of dat het meer voorkomt. Mensen die zeggen dat je alles wel op Google vindt, hebben het trouwens mis – ik vond laatst in een tentamen dat ik nakeek de interessante constructie mensen laten zich teveel beinvloed worden door de media. Voelde ook niet echt heel heel fout, dat laten+worden, maar daar kon ik er dus geen van op Google vinden.
In dit geval kon Google me echter wel helpen: een lading voorbeelden dat het een aard had. Veel met steeds en worden: een steeds donker wordender tunnel, een steeds onvruchtbaar wordender eenzaamheid, steeds langzaam lopender loops (uitgesproken: loeps). En ook veel met die vergelijkende trap op beide woorden: steeds irritanter wordendere opmerkingen, een steeds schaarser wordender markt, en eensteeds groter groeiender publiek.
Wat is hier nou aan de hand? Is het een verspreking? Uit de psycholinguistiek weten we dat mensen wel hele achtervoegsels op het verkeerde woord plakken omdat hun verwerkingsmachinerie even een steekje laat vallen. Het kan zijn dat iemand hier die -er of -st gewoon op het verkeerde woord plakt. Maar ook achter versprekingen zit vaak systematiek. Daarnaast voelt het op de een of andere manier niet echt fout en de hoeveelheid voorbeelden (“steeds * wordender” geeft bijna vijfduizend hits op Google) laat zien dat het het in ieder geval een erg veel voorkomende verspreking is.
Je zou kunnen denken dat het om zogenaamd gelexicaliseerde woordgroepjes gaat. Dat wil zeggen dat die woorden zo vaak samen voorkomen als woordgroep, dat de taalgebruiker ze als een enkel woord gaat beschouwen. Ruimdenkend, je ziet het eigenlijk al aan de spelling — zonder spatie, lijkt zo’n geval te zijn. Het is een bijvoeglijk naamwoord en niet echt een combinatie van ruimplus denkend. Je kan ook niet zeggen: hij denkt ruim om de betekenis ‘hij is ruimdenkend’ uit te drukken. Ruimstdenkendvind je dan ook niet op Google, ruimdenkendst echter 91 keer. En ruimdenkender is tien keer zo frequent, met bijna vijftigduizend hits, als ruimerdenkend (bijna vijfduizend). Maar in gevallen met steeds en wordender lijkt dat nou juist niet het geval te zijn: je kan echt allerlei bijvoeglijk naamwoorden tussen steeds en wordender zetten (nou ja, steeds mooi(er) wordender klinkt wel echt gek, maar steeds vervelend(er) wordender toch niet): er lijkt gewoon vrijelijk gecombineerd te worden.
Wat dan wel? Twee dingen zouden naar het antwoord kunnen leiden. Ten eerste: als we naar de bouw van dit soort groepjes kijken, zien we dat het geheel een bijvoeglijk naamwoordgroep vormt: snel groeiend is als geheel een bijvoeglijk naamwoordgroep, net zoals onder andere omstandigheden misplaatste in een onder andere omstandigheden misplaatste grap, of erg vervelende in een erg vervelende man. Maar die bijvoeglijk naamwoordgroep heeft dan, als een matroesjkapop, een bijvoeglijk naamwoordgroep, of een bijwoordelijke groep, in zich (snel in snel groeiend is bijvoorbeeld ook een bijwoord). Die twee lijken dus heel erg op elkaar in vorm en betekenis. Ze kunnen bijvoorbeeld allebei trappen van vergelijking bevatten. En misschien plakt het taalverwerkingssysteem daarom wel de vergelijkende trap op de buitenste laag, dus [[[snel] groeiend]-er] in plaats van de binnenste, [[[snel]-er] groeiend]. Of gewoon op allebei, om maar van de keuze af te zijn. Dat is de ene vorm van systematiek.
Een andere systematische bron voor gevallen als schaars wordender kunnen de vergelijkende en overtreffende vormen van woorden als veeleisend, nietszeggend en haatdragend zijn. Ook hier vormt het geheel een bijvoeglijk naamwoordgroep, maar kunnen de trappen van vergelijking alleen achter het tegenwoordig deelwoord (eisend, zeggend, dragend) komen, en niet achter het eerste element (meereisend? nietserzeggend? haatstdragend?). Die eerste elementen zijn hier dan ook geen bijvoeglijke of bijwoordelijke groepjes, maar ze vervullen een rol als een soort ingesloten lijdend voorwerp bij het tegenwoordig deelwoord. Het zou kunnen dat mensen de aan de oppervlakte op elkaar lijkende vormen haatdragend en schaars wordend gelijktrekken (X plus een tegenwoordig deelwoord) en een regel hebben “plak de vergelijkende/overtreffende trap achter het tegenwoordig deelwoord”, die ze, naast op het type haatdragend, ook op het type schaars wordend toepassen. Maar dan moet je nog wel uitleggen waarom het niet ook andersom gebeurt (haterdragend naar analogie met schaarser wordend).
Die bijvoeglijk gebruikte deelwoorden vertonen sowieso grappig gedrag, en het laatste woord is er nog niet over gezegd. Wat gebeurt er in het hoofd van iemand die de steeds groeiendere wensen schrijft, waarom gaan ze zo moeilijk met voltooid deelwoorden (de vervelender geworden klasgenoot tegenover het gekke de vervelend gewordener klasgenoot), en waarom verdwijnt de buigings –e achter wordender zo vaak (naar mijn indruk, althans)? Gelukkig is er nog genoeg wat we niet begrijpen.