Hier geen fietsen plaatsen

Door Jenny Audring

Ik erger me uit principe niet aan taalgebruik – als taalkundige hoor ik mijn onderzoeksobject zonder oordeel tegemoet te treden – maar sommige dingen vind ook ik gek. Bijvoorbeeld bordjes waarop staat “Hier geen fietsen plaatsen. Deze worden verwijderd.”

Wat klopt er hier niet? Een perfecte mijmervraag voor een zomerse fietstocht door de duinen.

Mijn eerste gedachte was dat je ‘geen fietsen’ niet kunt verwijderen.
Maar dit kan niet het hele antwoord zijn. Als er had gestaan “Hier geen fietsen plaatsen. Deze horen in de stalling” had ik het minder vreemd gevonden, hoewel hier hetzelfde geldt: geen fietsen kunnen niet in de stalling horen. Er moet dus nog meer aan de hand zijn.

Er lijkt iets mis te gaan bij de overstap van de fietsen in de eerste zin naar de fietsen in de tweede. Dit zijn niet dezelfde: er zijn fietsen die ergens niet mogen staan, en er zijn fietsen die worden verwijderd. De eerste groep is veel groter dan de tweede: de eerste omvat alle fietsen ter wereld, de tweede slechts de daar gestalde. Daarom kun je niet zomaar “deze” gebruiken — voornaamwoorden werken alleen als ze naar hetzelfde verwijzen als het zelfstandige naamwoord dat ze vervangen.

(Nou ja, meestal dan. Er is een bekend tegenvoorbeeld dat taalkundigen graag aanhalen “Het boek heeft 500 bladzijden en eindigt verdrietig.” In het ene geval gaat het om een boek als ding, in het andere om de inhoud van het geschreven werk. Voor wie nu protesteert dat het desondanks hetzelfde boek is, heb ik een ander voorbeeld. Het komt uit het Corpus Gesproken Nederlands, een enorme verzameling taaldata waar ik in mijn promotietijd naar voornaamwoorden aan het spitten was. Hier vond ik de volgende uitspraak: “dat ze suiker mee hadden omdat dat zo duur kostte in Rusland”. Los van “duur kosten” en het feit dat de niet-onzijdige suiker een onzijdig voornaamwoord krijgt – daar ging mijn proefschrift over – moet je vaststellen, dat de suiker die hier meegenomen wordt niet dezelfde suiker is als die die in Rusland zo duur was. En toch doet het voornaamwoord gewoon zijn werk. Ik vind het fascinerend. Laatst hoorde ik mijn vriend en taalkundemaat Gaston Dorren zeggen “In het tijdschrift waar ik contact mee heb, heb ik gelezen…” Dat was er nog zo eentje.)

Maar terug naar de fietsen. Mijn hypothese was dus dat het voornaamwoord niet werkt omdat er in de eerste zin andere fietsen voorkomen dan in de tweede. In dit geval zou het een oplossing zijn om te schrijven “Hier geen fietsen plaatsen. Fietsen worden verwijderd.” Urgh. Klinkt nergens naar. En ik miste nog iets: het stukje verhaal dat er wèl fietsen waren geplaatst. Want dat is wat er gebeurt tussen zin 1 en zin 2. Dit feit had ik graag ook nog op het bord gezien.

Hé, wacht. Waarom stoorde me dat? We knopen continu zinnen slordig aan elkaar. “Zullen we uit eten gaan? – Ik moet nog wat werken.” “Ik heb het koud. Kun je het raam dichtdoen?” “Waar is mijn tientje gebleven? – De glazenwasser is net geweest.” In gewone gesprekken nemen we zelden de moeite om alle tussenstappen netjes uit te spellen. “Ik heb het koud. Misschien komt dit doordat er een raam openstaat waardoor er koude lucht binnenkomt. Kun je het raam dichtdoen zodat de koude lucht buiten blijft en ik het daardoor misschien minder koud heb?” Zo praten we niet, we verwachten dat de luisteraar zelf bruggen bouwt tussen de zinnen. Tenminste in gesproken taal. En kijk maar: als ik het fietsbordje omzet in gewonemensentaal, dan werkt het opeens wel. “Hé kom, we zetten de fietsen hier neer. – Nee man, je mag hier geen fietsen neerzetten, die halen ze weg.” Geen centje pijn! Dus dit is het laatste puzzelstukje. Doordat het bordje in keurig nette schrijftaal is gesteld, verwachten wij kennelijk dat alles netjes wordt uitgespeld, met kloppende verwijswoorden en zonder impliciete tussenstappen.

Zo kom je, door je te ergeren aan een bordje, toch weer iets te weten over taal.