Een dagje uit op mijn rijwiel

Door Morries Leeraert
Je ziet ze niet meer: rijwielen op de weg. Wie rijwiel zegt, bedoelt de vorige eeuw. Rijwiel is een verdwijnwoord. Tegenwoordig heet al dat spul fiets. En als het waar is dat (technologische) woorden korter worden om snelheid uit te drukken, wat volgt er dan op fiets?
Rijwielheeft (ergens tijdens de eeuwwisseling) iets zwaars gekregen, iets ordinairs zelfs. Menige postbode (ook een uitstervende mensensoort) rijdt wel nog op een soort rijwiel. Jacques Tati reed in zijn zwart-wit film Fete du Jourop een postbodefiets. Door het versnelde beeld – eigen aan de cinema van eind jaren veertig- zag het er nog vlot en behendig uit.
De vélocipède(letterlijk ‘snelvoet’) was in Nederland maar kort in gebruik. Dit woord als afgeleide van de lichamelijke beweging werd rond de jaren dertig gevolgd door rijwiel– een benaming vanuit een technologisch perspectief. Het klinkt onmiskenbaar een stuk sneller. Fietsklinkt nóg sneller, dus dat horen wij thans, pardon: nu.

Het woord fiets(‘viets’) is waarschijnlijk ontstaan in Zuid-Limburg, door een samenloop van linguïstische omstandigheden. Het werkwoord vietsenbestond al in het dialect in de betekenis van ‘snel lopen’. Vandaar de thans hilarisch klinkende zegswijze ‘wat loop je te vietse!’ (wat maak je je druk. Waarom haast je je zo.) Daarnaast waren de Zuid-Nederlanders gevoelig voor hun grenstalen en herkennen wij het Franse woord vitessein het woord fiets. (Wat de etymologie betreft is daarover het laatste woord nog niet gezegd, zoals ook Jan Stroop onlangs nog op deze site aangaf.)
Scheuren op de baan op een Solex, 1959

Tussen rijwielen fietsreed –kort maar hevig- de Solex, een rijwiel met hulpmotor Dat was eind jaren veertig tot ‘ergens’ in de jaren zestig. Solex was een merk; het ‘standaardwoord’ was snorfiets. Maar wie destijds snorfietszei was óf onschuldig dom óf politiek incorrect. Frits van Egters’ mondaine compaan Maurits reed op een Solex (Reve); en Han de Wit die in ontwikkelingshulp ging (Heere Heeresma) stalde trots en eenzaam zijn Solex in het schuurtje van het ouderlijk huis. Jan Hanlo, K.Schippers en Jan Bernlef gingen op bezoek in het Amsterdam-Zuid van 1963: drie solexen aan de woning van Gerard Brands.

Iedereen rijdt nu aleen nog maar op een fiets. Dat kan een derdehands stationsfiets zijn voor de prijs van bijna niets, een omafiets, herenfiets, bakfiets, tweelingfiets ofwel tandem, seniorenfiets ofwel instapfiets, dikkebandenfiets, een renpin, vintage baanfiets, tot een electro-gemotoriseerde Koga Miyata met lichtgewicht hulpmotoren, voor de prijs van de racefiets waar Joop Zoetemelk de Tour de France op won.

Welk woord is sneller dan fiets? Dat zijn afkortingen en cijfers, zoals bij benamingen van auto’s en computers. ATB was in de jaren tachtig al een sluipwegwoord voor een bos- en heidefiets, maar dan sneller.

Wie nu naar rijwielzaak of fietswinkel gaat, en zich laat informeren over de heteroniemen van het woord fiets, kan zich alsnog laten bedwelmen door de variëteit aan soorten en maten rijwielen. Het is hybridewat de klok slaat.

Woordvariëteit echter lijkt steeds meer een zaak voor gespecialiseerde taalgebruikers.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.