Henrieke ziet Henrieke

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard


Door Marc van Oostendorp

Volgens Chomsky kan de zinsbouw van menselijke taal – iedere menselijke taal – begrepen worden als het resultaat van één simpele operatie Voeg die twee elementen samenneemt (de en vrouw wordt {de, vrouw}). De volgorde van de woorden doet er daarbij niet toe: die wordt pas belangrijk wanneer je de woorden uitspreekt.

De gedachte dat het niet gaat om woordvolgorde, maar om de structuren die Voeg maakt, kan ook inzicht geven in allerlei andere taalverschijnselen. Chomsky en zijn aanhangers hebben veel studie gemaakt van zinnen als de volgende:

Henrieke heeft zichzelf gezien.
Henrieke heeft haar gezien.
In de eerste van die zinnen is Henrieke zowel degene die ziet, als degene die gezien wordt, bijvoorbeeld in de spiegel. Dat is niet het geval in de tweede zin: het woord haar kan naar iedere (liefst wel al eerder genoemde) vrouw verwijzen. Maar niet naar Henrieke. 

In de volgende zinnen zit weer een bijzin ingebed in de andere:
Henrieke denkt dat Bert zichzelf gezien heeft.
Henrieke denkt dat Bert haar gezien heeft.
In de eerste zin kan zichzelfonmogelijk op Henrieke slaan: Bert is degene die gezien wordt, niet Henrieke. Dat ligt anders in de tweede zin, waar Henrieke wel degene kan zijn die gezien wordt (al is dat niet verplicht, de zin kan ook betekenen dat Bert een heel andere vrouw gezien heeft.)

Voor het persoonlijk voornaamwoord haaren het wederkerend voornaamwoord zichzelfligt het verschillend is het verschil tussen hoofd- en bijzin kennelijk belangrijk. Als zichzelfin een bijzin staat, kan het alleen verwijzen naar een ander woord in diezelfde bijzin: wel naar Bert en niet naar Henrieke. Een andere manier om dat te zien is door te constateren dat de volgende zin onmogelijk is:
Henrieke denkt dat ik zichzelf aan het bekijken ben.
Zo’n zin is gemakkelijk te begrijpen: zichzelfkan logischerwijs alleen verwijzen naar Henrieke. Als je naar ik zou willen verwijzen, zou je mijzelfgebruiken. Toch zal niemand hem ooit zeggen; zelfs kinderen of volwassenen die onze taal aan het leren zijn, zullen die fout niet maken. In plaats daarvan gebruiken we een andere zin:
Henrieke denkt dat ik haar aan het bekijken ben.
Die zin is als je hem goed bekijkt, onhandiger dan de variant die we niet gebruiken, bijvoorbeeld omdat hij dubbelzinniger is – haar kan behalve op Henrieke ook op willekeurig welke andere vrouwelijke persoon slaan. Toch geven we er de voorkeur aan. Dat is nu de kracht van de innerlijke grammatica: zichzelf moet verwijzen naar een naam of een naamwoord dat volgens de Voeg-operatie voldoende dichtbij staat. En de hoofdzin is kennelijk al te ver voor een woord in de bijzin.

Persoonlijk voornaamwoorden zijn zo’n beetje het spiegelbeeld van wederkerend naamwoorden. Ze kunnen juist naar van alles en nog wat verwijzen, behalve naar dingen die te dicht bijstaan. En wat ‘te dichtbij’ is voor een persoonlijk voornaamwoord is juist precies dichtbij genoeg voor een wederkerend voornaamwoord. In beide gevallen betreft het door Voeg gemaakte structuur, waarin het ene taalelement is ingebed in het andere, en niet de vraag of het ene woord links staat van het andere. Daar hadden we het gisteren over: links en rechts doen er volgens Chomsky niet toe in de zinsbouw.

Nu zou je op basis van deze voorbeelden nog kunnen denken dat je de ‘afstand’ tussen een voornaamwoord en hetgene waar dat voornaamwoord naar verwijst (het antecedent) kunt ‘meten’ in hoeveel woorden er tussen de twee instaan. Tussen zichzelf en zijn antecedent mag geen ander woord staan dat naar een persoon verwijst; vandaar dat de zin ‘Henrieke denkt dat ik zichzelf bekijk’ fout is: ik staat daar tussen Henrieke en zichzelf in en blokkeert als het ware het zicht van de een op de ander.

Dat het zo simpel niet is, blijkt uit zinnen als de volgende, waar zichzelf best op Henrieke kan slaan, ook al staat er van alles tussen:

Henrieke geeft Bert een foto van zichzelf. 

Deze zin heeft (minstens) twee betekenissen: de geportretteerde kan Henrieke zijn, of Bert. Dat laat in ieder geval zien dat Bert hier het zicht van zichzelfop Henrieke niet ontneemt. De reden is dat hier echt maar één zin is, waar alle woorden instaan. Op het moment dat zichzelf een keuze moet maken, zijn Henrieke en Bert beide nog beschikbaar. (Omgekeerd kan ‘Henrieke geeft Bert een foto van haar’ alleen betekenen dat de foto van een derde persoon is. Ook in dit soort zinnen zijn zichzelfen haar dus weer helemaal elkaars tegengestelde.)

‘Dichtbij’ betekent dus min of meer ‘in dezelfde zin’, waarbij bijzinnen als aparte zinnen gelden. Het heeft niets te maken met waar die woorden precies staan, het gaat ook hier weer niet over links of rechts. Ook dat laat weer zien dat een zin meer is dan een reeks woorden: er zit structuur in — het soort structuur dat wordt toegekend door Voeg.