Ik heb de helft van de appeltaart opgegeten

Door Marc van Oostendorp

Op de betekenis van een willekeurige zin kun je eindeloos puzzelen. Hier is er een. ‘Ik heb gisteren de helft van de appeltaart opgegeten.’ Stel, je staat op om naar de keuken te gaan en je echtgenoot zegt dat zinnetje. Je loopt naar de koelkast en je ontdekt dat er nergens meer appeltaart te bekennen is: alles is opgegeten door je man. Dan heb je alle reden om boos te worden, en de meeste mensen zullen dat begrijpen. Strikt genomen heeft je man de waarheid gesproken: iemand die een hele appeltaart eet, eet daarmee ook een halve appeltaart.

De ongeschreven communicatieregel die hier in het geding is, is: je zegt niet meer dan nodig is.

Wanneer je net zo goed kan zeggen ‘ik heb de appeltaart opgegeten’, ga je dat niet nader specificeren met volkomen onbelangrijke details. Ja, je hebt de halve appeltaart inderdaad opgegeten, maar ook een kwart appeltaart, en driekwart appeltaart, en vijfzesde, en achtentwintig kruimels. Al die hoeveelheden heb je opgegeten, dus waarom zou je precies die ene hoeveelheid noemen? Terecht ging je ervan uit dat je man een specifieke reden had om dat te doen: de helft van de appeltaart was de reden om dat te doen.

Hier is nog een zin, waaruit het zelfde blijkt: ‘Waar kan ik een Duitse krant kopen?’ Een mogelijk antwoord op die vraag — het beste antwoord voor de logische geest — is een uitputtende opsomming van alle sigarenboeren, pittoreske kioskjes en supermarkten in het universum waar men Bild of Frankfurter Allgemeine in de aanbieding heeft. Maar het is niet het antwoord dat je verwacht, wanneer je die vraag in de Leidse Breestraat aan een voorbijganger stelt. Je verwacht een of twee suggesties van locaties in de buurt, eventueel vergezeld van een aanbeveling. ‘Bij de AKO op het station hebben ze altijd grote stapels liggen.’ Zo iemand geeft dus tegelijkertijd meer (je vroeg strikt genomen niet naar de omvang van de stapels) en minder (die AKO is heus de enige niet) informatie dan waar je om vraagt. Niemand vindt dat erg.

Sterker nog, je kunt soms juist veel zeggen door minder te zeggen. De hoogleraar die een aanbevelingsbrief schrijft voor een student die wil promoveren en daarbij volstaat met één zin (‘Geachte collega, Deze kandidaat heeft een bijzonder duidelijk handschrift’) heeft daarmee waarschijnlijk genoeg gezegd. Hoewel er geen negatief woord gevallen is, is de kans dat de student de promotieplaats aangeboden krijgt met die ene zin tot een dieptepunt gezakt.

Dat komt doordat er onuitgesproken spelregels zijn in een gesprek. Een ervan is dat je de ander precies genoeg informatie geeft: niet teveel en niet te weinig. Je kunt er redelijkerwijs vanuit gaan dat er om te promoveren meer talenten nodig zijn dan alleen een duidelijk handschrift. Wanneer hij over zulke informatie beschikt, geeft een schrijver van een aanbevelingsbrief die. Door alleen informatie van ondergeschikt belang te verstrekken, laat je indirect weten dat je niets beters weet te vertellen. En zo kan positieve informatie – er valt helemaal niets aan te merken op mensen die duidelijk schrijven – dus eigenlijk iets negatiefs betekenen.

Het spelletje werkt alleen als alle deelnemers de regels kennen. Als de lezer van de brief denkt dat het prachtig is om een mooi handschrift te hebben en dat dit vast ook allerlei andere heel gunstige eigenschappen impliceert, ja, als hij denkt dat mensen die duidelijk schrijven ook vast heel helder denken en altijd op tijd komen en hard werken, vangt hij het negatieve signaal niet op dat zijn lezer wil afgeven.

Dat betekent dat de communicatie tussen de regels bepaald wordt door de cultuur. Ik schreef zelf een paar jaar geleden aanbevelingsbrieven voor een student die graag naar Amerika wilde. Eigenlijk had ik over die student alleen gunstige dingen te melden: hij was slim én gemotiveerd én snel én bereid om hard te werken. Dat was allemaal zo positief dat het voor mijn gevoel ongeloofwaardig dreigde te worden en dus pijnigde ik mijn hoofd om ook nog iets minder gunstigs te kunnen melden. Uiteindelijk schreef ik dat dan ook: ‘Ik kan eigenlijk niets slechts over deze jongeman melden, of het moest zijn dat hij weleens vijf minuten te laat komt.’

Die zin bleek later bij sommige Amerikaanse collega’s tot grote verwarring te hebben geleid. Waarom zou ik in een aanbevelingsbrief zo’n zinnetje opnemen? Probeerde ik hier in bedekte termen iets te onthullen over een kwalijke karakterfout? Uiteindelijk werd de student aangenomen, dus zoveel verwarring had mijn opmerking nu ook weer niet gesticht; maar sindsdien vermijd ik in brieven naar Amerika zelfs maar de schijn dat ik ook maar in de verte enig vlekje zou kunnen ontdekken in de persoonlijkheid van de kandidaat in kwestie.

Het spel is voor een deel dus cultureel bepaald, maar iedereen speelt het. Een zin heeft zelden een bijbedoeling — een deel van de betekenis van iedere zin is dat de spreker nu net dát zegt, en niet iets anders. En dat de luisteraar dat weet. En dat de spreker weet dat de luisteraar dat weet. En dat de luisteraar dat ook weer weet. En zo eindeloos verder.