Klankencyclopedie van het Nederlands (37): [ɑu]

Door Marc van Oostendorp

[ɑu] De [ɑu] (au/ou) maak je door je lippen een beetje te ronden, en dan de achterkant van je tong op te heffen terwijl je ondertussen je lippen nog meer rondt.

De [ɑu] wordt meestal beschouwd als een ‘echte’ tweeklank, net als de [ɛi] en de [ʌy]. Daarnaast heeft het Nederlands ook nog ‘onechte’ tweeklanken, zoals de ieuw in kieuw, de eeuw in geeuw, de oei in stoei en de ooi in mooi.

In sommige opzichten lijkt de [ɑu] eigenlijk meer op de ‘onechte’ dan op de ‘echte’ tweeklanken. Dat zit zo.

Er zijn een aantal verschillen tussen de echte en de onechte tweeklanken. Het eerste deel van de echte tweeklanken doet bijvoorbeeld steeds denken aan een ‘korte’ klinker van het Nederlands (de e van pet in bij, de u van put in bui). Het eerste deel van ‘onechte’ tweeklanken doet juist meer denken aan een lange klinker (de ee een beet in leeuw, de oo van boot in looi).

Een belangrijker verschil is: na ‘echte’ tweeklanken kan nog ongeveer iedere medeklinker volgen in dezelfde lettergreep:

  • brui[t], hui[f], hui[x], hui[k], hui[l], rui[m], brui[n], drui[p], rui[s]
  • mei[t], lij[f], drei[x], lij[k], bij[l], rij[m], drei[n], rij[p], grij[s]

Na onechte tweeklanken kunnen maar twee medeklinkers volgen: de tandklanken [s] en [t]:

  • mooi[s], dooi[t]; uitgesloten: looi[p], looi[k], looi[m], looi[n], looi[f]
  • geeuw[t]; uitgesloten: geeuw[p], geeuw[k], geeuw[m], geeuw[n], geeuw[f] (en geeuw[s])

Hoe zit dat nu met de au? Volgens deze laatste toets bevindt die zich een beetje halverwege tussen de echte en de onechte. Er kunnen wel iets meer medeklinkers na komen, maar lang niet allemaal.

  • kou[t], fau[n], pau[l], pau[k], pau[s]; uitgesloten: pau[p], pau[m], pau[f].

Bovendien zijn woorden met een -n, -l of -k heel zeldzaam. Van de laatste ken ik behalve pauk alleen glauk – niet echt een algemeen bekend woord. Ook woorden op aun zijn zeldzaam; en de klinker in Paul klinkt voor veel mensen niet als een au.

Hoe zit dat nu? De twee helften van echte diftongen lijken veel op elkaar. De [ɛ] en de [i] van [ɛi] maak je allebei met de voorkant van de tong en gespreide lippen; de [ʌ] en de [y] van [ʌy] allebei met de achterkant van de tong en met geronde lippen. Het is net alsof ze door die gelijkenis dichter bij elkaar kunnen staan en daardoor wat ruimte overlaten.

Die ruimte is er niet na onechte tweeklanken, wamt daar lijken de twee delen juist niet op elkaar. Eeuw gaat van gespreid en voor in de mond naar rond en achter in de mond, oei in precies de omgekeerde richting. Bovendien is het eerste deel dus van zichzelf al een ‘lange’ klinker. Vandaar dat er geen ruimte meer overblijft. Alleen de [s] en de [t] kunnen nog, maar die kun je zelfs na hele series andere medeklinkers nog invoegen (herfst).

Hoe zit het met de au? Die zit volgens beide criteria tussen echt en onecht in. Als je aan het begin je lippen zou ronden, zou hij echt zijn, maar omdat je kaak behoorlijk naar beneden duwt, valt er bijna niet te ronden. En dat begin zelf zit eigenlijk net zo dicht bij een lange [a] als bij een korte [ɑ].

Tien jaar geleden heb ik een praatje over dit onderwerp gehouden met Francine Swets.
Ik houd op een aparte pagina bij welke klanken ik inmiddels behandeld heb in de Klankencyclopedie.