De Taalunie: Bonussen uitdelen en het Engels beschermen

De nieuwe baas van de Taalunie debatteert als een manager

Door Marc van Oostendorp

Voordat Geert Joris werd aangesteld als Algemeen Secretaris (topambtenaar) bij de Nederlandse Taalunie had de man, die eerder manager was geweest van een Vlaamse boekpromotieclub, nooit blijk gegeven van serieuze belangstelling voor taal.

Hij werd desalniettemin door Nederlandse en Vlaamse politici geprezen als iemand die leiding zou geven aan het ‘debat’ over het Nederlands. De Vlaamse minister Pascal Smet zei bijvoorbeeld: ‘We kozen bewust voor iemand die het maatschappelijke debat niet schuwt omdat we geloven dat dit de positie van onze taal verstevigt.”

Joris had op dat moment alleen nog een stukje geschreven in het huisblaadje van de Taalunie, Taalschrift, dat eerlijk gezegd niet getuigde van veel inzicht in de materie.
Brokken

Zo dacht hij dat slecht spellen op school een voorbeeld is van ‘taalverarming’ – alsof er niet al tachtig jaar overal wordt verteld dat spelling en taal niet hetzelfde zijn – en schreef hij ondertussen zelf het soort omslachtige zinnen waarachter je geen liefhebber vermoed (‘Nu wil het gegeven dat je in de bachelorjaren een algemeen vak hebt (…)’ in plaats van ‘Nu heb je in de bachelor een algemeen vak (…)’)

Maar, kon je toen nog denken, de man moet nog beginnen. Uit het interview dat NRC Handelsblad gisteren met hem plaatste, begin ik echter te vrezen dat het menens is. Dat we te maken hebben met een voorbeeld van een moderne manager. Met iemand die denkt dat de meninkjes die toevallig in hem opborrelen meer waard zijn dan die van mensen die er lang en serieus over hebben nagedacht, alleen omdat men hem toevallig een zak geld in handen gegeven heeft die hij onder die mensen mag verdelen.

Iemand die andersdenkenden onder het mom van ‘verzakelijking’ aan de kant schuift. Een topambtenaar die neerkijkt op de maatschappelijke partners met wie hij moet samenwerken. Daar komen brokken van.

Slapjanussen

Nog steeds is volgens Joris spelling kennelijk het belangrijkste onderwerp dat hij op de agenda gaat zetten om “de positie van onze taal te verstevigen”. Zijn grootste zorg is blijkens het interview: dat er in Nederland een vereniging is die op eigen houtje, in samenwerking met een groot aantal krantenredacties, en zonder ‘keurmerk’ een spellinggids uitgeeft – het ‘Witte Boekje’ van het Genootschap Onze Taal.

Wat er nu zo erg aan is dat mensen in detailkwesties hun eigen keuzes maken, legt Joris niet uit. Een boekje waarin af en toe een tussen-n wel of juist niet staat, leidt natuurlijk niet meteen tot chaos. Dat hebben de jaren sinds 2005, toen dat vermaledijde Witte Boekje verscheen, ook laten zien: is er sindsdien wanorde uitgebroken? Ondertussen schildert Joris zijn voorgangers af als slapjanussen omdat ze het zomaar hebben laten gebeuren. “De Taalunie heeft zich (onder hen) teveel verscholen”, vindt Joris.

Frietchinees

Die manhaftige strijd tegen taalliefhebbers die het anders doen dan de overheid het wil – het zal, vrees ik, een voorbeeld zijn van hoe Joris een einde wil maken aan het beeld van de Taalunie als “een clubje dat zich achter deze statige gevel bezighoudt met obscure taaldingen”. En meteen komt hij met nóg zo’n verfrissend idee, ook al over spelling: sneller reageren op de komst van nieuwe woorden.

Ook dat gaat weer over de spelling. Zodra het woord frietchinees opkomt, moet er duidelijk gemaakt worden hoe je dat woord moet spellen! “Wij moeten sneller het voortouw kunnen nemen wat dan de schrijfwijze is.” Ongetwijfeld om te voorkomend dat die dekselse makers van het Witte Boekje hem voor zijn. Hoeveel behoefte er precies is aan zulke investeringen in zulke spellingdingen, al dan niet obscuur, zegt hij er niet bij.

Teloorgang

Maar Joris heeft heus niet alleen maar ideeën over spelling. Hij wil ook ‘discussie’ over het ‘onnodige Engels’. “Wij bereiden een advies voor het hoger onderwijs voor, waar het Engels steeds verder oprukt. Daar moet je kritisch naar durven kijken. De native speakers zijn daarbij onze natuurlijke partners. Zij zien ook niet graag dat hun taal wordt gebruikt in een soort koeterwaals. Ze zien zo hun eigen taal teloorgaan.”

Ik moet toegeven, Joris durft wel. Ook hier wordt weer strijdlustige taal uitgeslagen (‘oprukt’, ‘koeterwaals’, ‘kritisch naar durven kijken’) die zich van wetenschappelijk onderzoek of van de kracht van rationele argumenten op dit vlak niet veel aantrekt. Het ‘maatschappelijk debat’ over het Engels in het hoger onderwijs is een stuk complexer en verder gevorderd dan Joris lijkt te beseffen. Er zijn zowel in Nederland als in Vlaanderen in de afgelopen jaren allerlei feiten en meningen over en weer uitgewisseld.

Dat we daarbij het Engels zouden moeten beschermen tegen ‘teloorgang’, het énige argument dat Joris noemt, is waarschijnlijk wel het allerzwakste argument. Het Engels leeft en bloeit, daar kan geen Nederlands accent tegenop.

Ook over andere onderwerpen zegt Joris vreemde dingen. Zo beweert hij zonder of blikken en blozen dat het feit dat de TomTom Nederlands spreekt, een verdienste is van de Taalunie (“Zonder ons zou dat alleen maar in het Frans of Engels zijn.”) Dat is echt teveel eer naar jezelf halen. Het feit dat TomTom een Nederlands bedrijf heeft, is veel belangrijker geweest – ingewikkelde taaltechnologie zit er bovendien in dat soort apparaatjes niet verwerkt, het gaat vooral over opnamen van standaardzinnetjes. En over de Prijs der Nederlandse Letteren merkt Joris op dat het prijzengeld best kan worden teruggebracht tot 1 euro, terwijl hij tegelijkertijd meent dat het oneerlijk is dat er meer aandacht is in de kranten voor de Nobelprijs dan voor de prijs van de Taalunie.

Autoritair

Verder maakt Joris in het interview vooral een autoritaire indruk, van iemand die alles naar zich toe wil trekken. Dat blijkt natuurlijk al uit zijn curieuze zorgen over een alternatieve spellinggids, maar verder dreigt hij met ‘verzakelijking’ van de Taalunie en van partnerinstellingen. Enerzijds krijgen partnerorganisaties die hun ‘doelstellingen’  (Taalunie-speak voor targets, red.) halen voortaan ‘bonussen’ in het vooruitzicht gesteld, en tegelijkertijd spreekt hij dreigend over andere instellingen (de DBNL, het INL) dat zij “de neiging hebben een koers te varen die niet altijd de koers van de Taalunie is”.

Dat een topambtenaar zulke dingen zegt, vind ik zorgelijk. Van maatschappelijke organisaties eisen dat ze de ‘koers’ van de overheid kritiekloos volgen, omdat ze anders geen subsidie meer krijgen, klinkt allesbehalve prettig. Organisaties die wel hun targets halen bonussen in het vooruitzicht stellen in tijden van bezuinigingen, vind ik zelfs ronduit kwalijk. Bonussen?

Achter die stoere praatjes over doelstellingen en het Engels op de universiteiten ‘durven’ aankaarten, verbergt zich, zo valt te vrezen, ideeënarmoede. Het wordt er in mijn ogen alleen maar duidelijker door hoe overbodig de Taalunie is. We hebben de overheid niet nodig om het Engels tegen ons te beschermen of te voorkomen dat we af en toe een tussen-n schrijven waar die overheid niet wil. We hebben geen topambtenaar nodig die zich nooit om de taal heeft bekommerd en die nu ineens het debat komt leiden.