De geschiedenis van het woord ‘tapen’

Door Marc van Oostendorp

Na afloop van de vergadering gisteren kwam er een vrouw naar me toe. “Mijn zoon zegt tapen,” zei ze. Als mensen mij zien, beginnen ze ineens over taal te praten.

Zeggen we niet allemaal weleens tapen? Dat werkwoord dat we uit het Engels lenen heeft inmiddels zelfs meerdere betekenissen. Iedere generatie heeft zijn nieuwe vorm van tapen.

Voor veertigers betekent het in de eerste plaats: iets op een cassettebandje zetten. “Wat? Heb jij die nieuwe plaat van The Cure nog niet? Wacht ik zal hem even voor je tapen!” Het feit dat de jeugd van tegenwoordig dat prachtig-mooie Nederlandse woord niet meer kent, is zeker een teken dat de westelijke beschaving op het punt staat ineen te storten.

Wie het woord tapen googelt vindt een andere betekenis, die neem ik aan voor de moderne twintigers en dertigers dominant is: voorzien van grote pleisters, om medische of paramedische redenen. “Voor je gaat wandelen kun je beter tapen.” Een verwante betekenis is geloof ik die van het gebruik van roodwit plastic door de politie (“het plaats delict werd getapet”), maar dat vind ik nauwelijks overtuigend terug op het internet.

De zoon van mijn medevergaderaarster is geen veertiger, geen dertiger of twintiger, maar een tiener. En als tieners, in ieder geval in Amsterdam, iemand ander tapen, doen ze die persoon na. “Zit me niet zo te tapen! Bedenk zelf eens iets!” Volgens mijn informante is het niet echt naäpen, het is meer het overnemen van een stijl, ook als je daar zelf je eigen elementen aan toevoegt.

Ik neem aan dat de betekenis voortkomt uit die van de veertigers, waar het immers ook ging om kopiëren. Die tieners hebben natuurlijk nog nooit een cassettebandje van dichtbij gezien, hooguit die ene keer dat pa of ma er een vond in een doos met rommel en nostalgisch begon te zwijmelen: ah, Grease! 

Ik houd u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen. Houd u mij dan ondertussen ook op de hoogte!