Bespreking eindexamen vwo Nederlands 2013

De illusie van het juiste antwoord

Door Marc van Oostendorp

Valt het vwo-eindexamen te maken? En heb je er wat aan als je dat ook kunt? Vorig jaar behandelde Bas Jongenelen hier op Neder-L de eindexamens Nederlands. Hij ging daarbij in op de samenvattingsopdracht: leerlingen moeten in hun eigen woorden een artikel kort samenvatten, waarbij ze al door de opstellers van het examen krijgen voorgekauwd welke onderwerpen er in die samenvatting aan de orde moeten komen. Een kunstje, constateerde Bas toen terecht, en dan wel een kunstje dat niet leuk is om te doen en waar je ook niets aan hebt.

Dit jaar wil ik ingaan op de andere opgaven die we onze scholieren stellen. En ik moet zeggen: als het vwo-examen van vandaag maatgevend is, dan is ook dat niet veel soeps.

U kunt de examenvragen en de teksten waar die vragen over gaan, benevens het modelantwoord hier vinden. De tweede tekst, van M. Februari, valt dit jaar de twijfelachtige eer te beurt te moeten worden ‘samengevat’. De eerste tekst is een ingekorte Huizingalezing van Marita Mathijsen over het historisch besef.

Een van de verbijsterende aspecten van dit examen is dat het grotendeels volstaat uit meerkeuze-vragen. Dat suggereert dat er voor iedere tekst een ‘juiste’ manier van lezen is. De succesvolle vwo’er is kennelijk degene die voldoende gedresseerd is om die enig juiste manier van lezen te bezitten.

Ik vind het nogal dubieus.  Neem vraag 5, die gaat over de volgende alinea:

Dat wil niet zeggen dat iedereen zich dit [dat niets bestaat zonder een geschiedenis, MvO] ook realiseert. Als bijvoorbeeld voetbalhooligans tribunes van het Feyenoordstadion slopen, beseffen ze niet dat ze daarmee een monument van voetbalhistorie verwoesten. Het historisch besef is geen vanzelfsprekendheid. Wanneer ontstaat het historisch besef eigenlijk?

Hier is de meerkeuzevraag over deze alinea:

Wat voor drogredenering kan de kritische lezer zien in alinea 3?
A cirkelredenering
B onjuist oorzakelijk verband
C overhaaste generalisatie
D verschuiven van de bewijslast

Volgens de examinatoren is het juiste antwoord hier C. Nu wil ik niet betwijfelen dat een ‘kritische lezer’ dat in die alinea kan zien. Maar die ‘kritische lezer’ heeft dan volgens mij wel ongelijk. De stelling is dat niet iedereen zich een en ander realiseert. Om die stelling te bewijzen bestaat logischerwijs één voorbeeld; Mathijsen geeft dat voorbeeld. Ze maakt geen generalisatie, dus in hoeverre is ze nu overhaast?

En als het niet van belang is dat die kritische lezer ook gelijk heeft, dan is natuurlijk ieder antwoord goed. Het gaat er niet om dat je A, B, C of D aankruist, het zou er (bij Nederlands!) om moeten gaan dat je een goede verantwoording kunt geven van waarom je een van die antwoorden aankruist.

Precies datzelfde gevoel heb ik al bij de allereerste vraag. Die gaat over de inleiding:

Ik heb een oud hondje, Binkie. Hij is blind. Hij kan zich alleen maar redden door in twee tijden te leven. Als hij van zijn mand naar de etensbak loopt, leeft hij in het heden van zijn honger en in het verleden van toen hij nog kon zien. Hij kan zijn etensbak vinden en overleven dankzij het feit  dat hij zijn verleden actief maakt.  
In principe zijn wij mensen net als Binkie afhankelijk van het verleden om te overleven. We zijn allemaal blind en varen op ons verleden om voort te kunnen. Elke handeling die we uitvoeren, heeft een vracht aan geschiedenis achter zich.

Hier is de vraag:

Een schrijver kan in de inleiding van een tekst op verschillende manieren de aandacht van de lezers proberen te trekken.  
1 Welk van onderstaande middelen wordt in de inleiding van de tekst ‘Ik was, dus ik ben’ vooral gebruikt?  
A  bij de actualiteit aansluiten 
B  een grappige toonzetting hanteren  
C  een onverwachte vergelijking maken  
D  een prikkelende stelling poneren 
E  het belang van het onderwerp benadrukken 

Het is hier al enigszins eigenaardig dat hier sprake is van een schrijver en lezers, terwijl het kennelijk gaat om een lezing, maar enfin. De vragensteller had misschien zijn dag niet, dat kan gebeuren.  Maar wat is nu het juiste antwoord. Volgens het antwoordenblad is dit C.

Waarom? Mathijsens toon is op zijn minst licht humoristisch, met dat Binkie en zijn blinde gehobbel naar zijn voederbak. Bovendien is de stelling dat wij mensen afhankelijk zijn van het verleden om te overleven, toch zeker prikkelend te noemen. Voor de antwoorden B en D lijkt me dus in ieder geval wat te zeggen. ‘Grappig’ en ‘prikkelend’ zijn natuurlijk subjectieve begrippen, maar dat is ‘onverwacht’ ook (voor wie Marita Mathijsen kent, is die vergelijking misschien helemaal niet zo onverwacht).

Hoe kunnen we nu bepalen dat er ‘vooral’ een vergelijking wordt gebruikt? Dat die vergelijking belangrijker is dan de grappigheid of de prikkelende stelling? Ik zou het niet weten, en ik zou eigenlijk ook niet weten waarom het van belang is om de onverwachtheid te herkennen als het belangrijkste ‘middel’ van de schrijver in de tekst. Het feit dat ik dat niet kan, zie ik minder als een manco in mijn taalbeheersing als het feit dat ik het moeilijker vindt om A of E te herkennen in de inleiding. Een betere lezer dan ik zou die er misschien ook in ontdekken.

En dat lijkt me precies het punt. Goed lezen lijkt me: je kunnen laten meeslepen in een betoog, zonder te denken dat je als ‘kritische lezer’ op zoek moet naar zogenaamde ‘drogredenen’ of welk middel een schrijver ‘vooral’ gebruikt. Je moet je eigen visie op zo’n tekst natuurlijk kunnen verdedigen, maar dat kan niet, nooit, met een keuze tussen A, B, C en D. Dat kan alleen maar door de leerlingen beargumenteerde keuzes te laten maken.

Dan past het maar niet allemaal in een precies uitgestippeld ‘correctievoorschrift’!