Bespreking eindexamen Nederlands havo 2013

Gebruik niet meer dan 20 woorden

Door Marc van Oostendorp
Gisteren mopperde ik dat het vwo-examen zoveel meerkeuzevragen bevatte. Het havo-examen, dat vandaag werd afgenomen en hier kan worden ingezien, had er nog veel meer. En daar zaten weer rare bij: ‘Met welk begrip kan de functie van alinea 2 ten opzichte van alinea 1 het beste getypeerd worden?’, bijvoorbeeld, waarbij het ‘juiste’ antwoord blijkt te zijn ‘constatering’. 
Hoe kan de functie van de ene alinea zijn dat hij de andere constateert? Ik begrijp daar niets van. Eerlijk, ik dacht toen ik die vraag las dat dit antwoord er alleen maar bij was gezet om de leerlingen eruit te gooien die niet begrepen dat een constatering nooit een functie kon zijn van het ene tekstdeel voor het andere. (‘Deze zin constateert die zin’?)
Affijn, om niet in herhaling te vallen, wil ik me nu eens richten op de open vragen in het havo-examen. Bijvoorbeeld de volgende, waarvoor je nog niet eens de tekst hoeft te lezen, omdat alles wat je weten moet al in de vraag zelf geciteerd wordt:

In Het lekkerste dier vindt Sylvia Witteman, die zelf graag vlees eet: ‘Wie nu nog varkensvlees uit de bio-industrie koopt, verdient het om de rest van zijn leven met veertig mede-asocialen in een stilstaande lift te worden opgesloten en gevoederd te worden met doodgekookte elleboogmacaroni’.” (regels 146-155) Leg uit dat dit citaat van Sylvia Witteman niet strijdig is met het feit dat zij graag vlees eet. Gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

Zeuren

Het correctievoorschrift zegt het volgende:
De kern van een goed antwoord is: 
– Uit het citaat blijkt dat Witteman alleen tegen het eten van vlees uit de bio-industrie/vee-industrie is

Dat zijn 17 woorden. Als ik leraar was zou ik dat antwoord uit het correctievoorschrift geloof ik fout rekenen, of er in ieder geval iets vanaf trekken. Het woordje allleen staat er verkeerd. Uit het citaat blijkt niet dat Witteman alleen tegen het eten van vlees uit de bio-industrie is. Het citaat zou heel wel uit de mond kunnen komen van iemand die tegen alle vormen van vlees eten is. 
Daarom blijkt uit het citaat alleen dat Witteman tegen het eten van vlees uit de bio-industrie is. Over haar houding tegenover andere vormen van vlees valt op grond van het citaat alleen niks te zeggen. Wel natuurlijk uit de context van het citaat – aan het tussenzinnetje van Roos Vonk ‘die zelf graag vlees eet’. Maar dat is de vraag niet. Ik begrijp wel dat je al die nuances niet kwijt kunt in 20 woorden – maar waarom is er dan die strakke beperking? Waarom niet 40 woorden?
Zit ik te zeuren? Is het niet duidelijk wat de opsteller van het correctievoorschrift bedoelt? Maar moeten we de nieuwe generatie werkelijk laten ondervragen over tekstbegrip door mensen die zich zo onnauwkeurig uitdrukken?

Sluimerend

Nog een vraag dan. Ook hier hoef je de tekst eigenlijk niet bij te hebben om hem te kunnen beantwoorden:
Veel mensen plaatsen wel sluimerende vraagtekens bij hun vleesconsumptie (…)” (regels 250-252) 
Leg uit waarom deze vraagtekens sluimerend zijn. Gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

Volgens het correctieblad kun je voor deze vraag 3 punten krijgen, als volgt verdeeld:
De kern van een goed antwoord is: 
– Mensen hebben wel twijfels over hun vleesgebruik
– maar die twijfels blijven op de achtergrond 1
– een volledig goed antwoord, niet langer dan 20 woorden 1

Om het tweede punt te noemen hoef je de tekst zelf niet te lezen. Je schiet er zelfs niets mee op om dat wel te doen; je moet alleen in de gaten hebben dat ‘sluimerend’ en ‘op de achtergrond’ metaforen zijn voor hetzelfde. Maar waarom mist een scholier een scorepunt als hij niet vermeld dat mensen twijfels hebben over hun vleesgebruik? De frase staat al in de vraag zelf, waarom zou je in het antwoord die frase per se moeten herhalen? 
Ik heb nu in twee dagen twee eindexamens Nederlands bekeken. Ik moet zeggen dat ik verbijsterd ben. De vragen zijn slecht geformuleerd en het correctievoorschrift is vreselijk willekeurig. Wie maakt die vragen? Waarom accepteert de Nederlandse samenleving dat het meegaan in zulk krom denken een toegangsbewijs vormt tot onze maatschappij?