Het Koningslied is een populistisch lied

Door Marc van Oostendorp 

Bent u al aan het oefenen op het nieuwe ‘Koningslied’ dat we op 30 april allemaal moeten gaan zingen? Er valt enorm veel uit te leren over wat het Nederlanderschap aan het begin van de 21ste eeuw betekent.

Muzikaal is het een allegaartje dat de laatste jaren steeds uit de kast wordt gehaald als de nationale eenheid benadrukt moet worden: een zoete melodie die doet herinneren aan musicals en dan wat rap erdoorheen, omdat dit iets moet zijn voor jongeren en multiculturaliteit. Al een jaar of twintig is rap de jongerenmuziek bij uitstek, bij sommige van de rappers die je hoort in het Koningslied zijn de eerste grijze haren al een paar jaar geleden weggespoeld.

Maar het gaat mij natuurlijk om de tekst. Die is een schatkamer van modern Nederlanderschap.
Populisme is een politieke stijl die claimt dat ‘het volk’ een eenheid is dat één belang heeft en één mening. Dat belang en die mening staan tegenover het gedrag van de elite, maar er is één leider die precies samenvalt met het volk. In die zin is het Koningslied een populistisch lied.

Er zijn verwijzingen naar allerlei eerdere liederen die de volksaard moesten uitdrukken, van het Wilhelmus (‘De W van welkom in ons midden / Tot welke God je ook moge bidden’) via de Zilverenvloot (‘En hoe klein we ook zijn / Onze daden zijn groot ‘), De Genestets Boutade, André Hazes’ Wij houden van Oranje (‘Heel Oranje staat zij aan zij‘) tot en met Vijftien miljoen mensen (‘Miljoenen coaches die beter weten’).

Dat alles is doorkruid met zinnen die moeten suggereren dat het hier inderdaad gaat om een uit het Engels vertaalde musicaltekst (‘de dag die je wist dat zou komen’).

Zo’n beetje iedere associatie die mensen hebben met Nederland of het koningshuis zit wel op de een of andere manier in de tekst verwerkt. Het is daarmee een soort postmodernisme for the millions geworden – er zijn alleen associaties en positieve gevoelens, er wordt klaarblijkelijk niet eens gezocht naar logica of een groter verband.

Een van de eigenaardigheden van het Nederlandse volkslied is dat het gesteld is in de ik-vorm: ‘ben ik van Duitsen bloed’. Die vorm wordt ook in het nieuwe Koningslied aangehouden, maar de referent van ik (of van jij) lijkt heen en weer te schieten. Aan het begin is jij de Koning en wij het volk:

Daar sta je dan
Ieder mens heeft een taak in dit leven
Alles gedaan om je voor te bereiden
Daar is het dan
Je belooft dat je alles zult geven
Iedere stap die je zette die leidde naar hier
En kijk om je heen
Wij lopen met je mee
Door de regen en de wind
Zal ik naast je blijven staan
Ik bescherm je tegen alles wat komt
Die laatste regel lijkt op het eerste gezicht een eigenaardige omkering van de traditionele verhoudingen: het is niet langer de koning die het volk beschermt, maar de koning wordt juist beschermd.
Maar verwijst je nog wel naar de koning? Een van de voornemens die de ik heeft is nu ineens ‘Hou je veilig zo lang als ik leef’. Het lijkt mij dat je dan alleen nog op het land kan slaan (een persoon kun je niet ‘veilig’ houden). De relatie tussen vorst en land (of volk) krijgt zelfs 19e-eeuwse religieuze trekken in het couplet van het lied (‘En als je ooit je weg verliest / Ben ik je baken in de nacht’), maar onmiddellijk daarna wordt de koning ineens weer alledaags gemaakt (‘De W van wakker, stamppot eten’, overigens een verwijzing naar wel heel eigenaardige ontbijtgewoonten).

In dit laatste rapdeel van het lied zijn de verschillen tussen ik en jij opgeheven en is er alleen nog sprake van een tamelijk diffuus wij dat verwijst naar voetbal (‘De W van altijd willen winnen / Wat het ook is waar wij aan beginnen’) en andere saamhorigheid, maar dat alles wel onder de initiaal van de nieuwe vorst (‘De W van wij zijn een met elkaar / Met de schouders naast elkaar’).

De monarchie drijft natuurlijk op een populistisch idee: de vorst en zijn volk zijn één (zoals bij Shakespeare de koning van Frankrijk France wordt genoemd). In het Koningslied wordt de koning opgevoerd als een ‘jij’ met wie ‘wij’ meelopen, als een ‘ik’ die het land gaat beschermen en gaat dienen als een baken in  de nacht voor ‘jou’, de natie, en die ten slotte opgaat in een wij van ‘een zijn met elkaar’. In die zin is het Koningslied een populistisch lied.