De verleden tijd van lijken

Een misdaadvervolgverhaal (1)

Door Marc van Oostendorp 
De specialist in Middelnederlandse voegwoorden nieste. Dat deed hij altijd, niesen, wanneer je hem vroeg om iets binnen een week te doen. “Ik heb slechts een parttime aanstelling”, waarschuwde hij, terwijl hij zijn neus afveegde met de smoezelige mouw van zijn donkerpaarse colbertje. 
“Maar Joop”, zei Wouter Pieterse, de net aangetreden hoogleraar Financiële Letterkunde, “jouw aanstelling is er een van 80%, en de mijne is 100%. Toch doe ik denk ik drie keer zoveel administratief werk als jij. En het enige dat ik je vraag is om een aantal titels van cursussen op te schrijven.”
Joop nieste nogmaals.
 “In de eerste plaats”, zei hij geduldig, terwijl hij de plaatsen meetelde op zijn vingers, “word jij betaald op het niveau van hoogleraar en ik niet. Op de tweede plaats heb ik niet gevraagd om die twee heidagen, zomaar ineens volgende week, terwijl ik eigenlijk naar dat congres zou gaan. Op de derde plaats…” Hij zweeg, maar Wouter wist precies wat hij op de puntjes moest invullen: dat Financiële Letterkunde een onzinvak was, en de studie van Middelnederlandse voegwoorden niet. 
Wouter zuchtte. “Joop,” zei hij, want hij was zo iemand die dacht dat je alles van mensen gedaan kreeg wanneer je hun voornaam maar vaak genoeg noemde. “We moeten het samen doen. Je kunt toch niet van mij verwachten dat ik jouw formulieren ga invullen? Ik weet toch niet hoe jij jouw aandeel in het nieuwe onderwijsprogramma het liefst ziet?”
Zolang Wouter op de universiteit rondliep – dat wil zeggen: sinds hij zich in 1997 bij deze zelfde vakgroep als student inschreef – was altijd alles in staat van verandering geweest. Af en toe werd het onderzoek gereorganiseerd en op het moment dat dit klaar was begon men met een reorganisatie van het bacheloronderwijs, of van de graduate school, of werd het onderwijs meer geïntegreerd met het onderzoek, of werden onderzoek en onderwijs juist meer op afstand geplaatst of werden alle medewerkers op managementcursus gestuurd. Pas als men helemaal niets nieuws meer wist om te verbeteren, begon de cyclus van voren af aan.
Nu was het masteronderwijs aan de beurt in de eeuwige kringloop der herorganisatie. De onderwijsdirecteur had besloten dat de masters opnieuw gestroomlijnd moesten worden, omdat er in die fase van het onderwijs voortaan in plaats van in semesters gewerkt moest worden in trimesters. Dit was bedoeld “om de master beter te doen onderscheiden van de bachelor” had hij gezegd, want het bachelorprogramma zou nog wel in semesters aangeboden blijven. Bovendien zou het ’t schema van de master in lijn brengen met dat van de opleiding Nederlands op Harvard.
De directeur had de opleiding Nederlands en Dutch opgedragen om de opleiding bij deze herstructurering meteen te stroomlijnen. “Jullie geven veel te veel kleine vakjes”, had hij tegen Wouter gezegd, “met ieder hooguit tien studenten. Iedere docent moet voortaan op zijn minst één vak aanbieden dat ook door andere studenten van de faculteit gevolgd kan worden, zodat het minstens veertig studenten trekt, dat is toch niet te veel gevraagd?”  
Joop nieste.

Wordt vervolgd