Uit je hoofd leren

Door Marc van Oostendorp

De grootste ambitie van onze nieuwe Dichter des Vaderlands, daar wordt een mens ook een beetje weemoedig van:

Dat elke Nederlander over vier jaar minstens tien gedichten uit zijn hoofd kent.

Het klinkt zo bescheiden, wat Anne Vegter wil, en toch moet je nu al vrezen dat ze haar doel niet gaat bereiken: Halbe Zijlstra die tien gedichten kan opzeggen? Of koning Willem-Alexander? Of Guido Spek?

Wat zou het mooi zijn.
Al is het maar omdat er maar één manier is om het te bereiken: dat je gepassioneerd raakt door de poëzie. Het lukt je niet met alleen maar vlijt en toewijding. Het leven is daarvoor te weerbarstig. Ik zie niet in dat drukke dertigers die ’s avonds thuiskomen van hun werk en net de kinderen in bed hebben gestopt nog éven ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief me toe‘ stampen. Of dat een zestiger op de tennisbaan met zijn vrindje ‘Zie je, ik hou van je‘ oefent terwijl ze een balletje heen en weer slaan.

Dat houdt niemand vol. Tenzij we met ons allen gegrepen worden door de poëzie. Als iedere nieuwe bundel uitvoerig besproken wordt in de kranten en op internet (‘In het eerste vers vd nieuwe dichter des vaderlands staat: weesfiets. Weet iemand wat dat is? #dtv‘); als de dichters en hun gedichten geparodieerd worden bij Koefnoen; als het verzameld werk van Bloem of Achterberg écht weer in iedere stad en niet-tweedehands te krijgen is, en trouwens ook in een elektronische editie; pas dan komt Vegters wens uit. Dus daar moeten we dan maar naar streven.

Hoewel ik mijn hele leven gedichten heb gelezen, associeer ik de poëzie toch vooral met mijn jeugd. De vele, vele middagen die ik op bed heb liggen lezen in Met twee maten en de editie van de Dichters van deze tijd die mijn ouders in hún jonge jaren hadden gekocht. De 1000 en enige gedichten van Komrij als een van de eerste boeken die ik zelf kocht – hoe blij ik was toen ik op de fiets terugreed naar huis met dat boek in mijn pukkel en alle schatten die ik daarin kon ontdekken.

Maar nog steeds is de poëzie belangrijk voor me. Taal is mijn werk en taal is mijn leven – maar overdag zijn dat conversaties in de stiltecoupé, vergadertaal, academisch proza en in mijn geval ook onderzoeksmateriaal. Dat is allemaal prachtig en razend interessant, daar niet van, ik wil ook niets anders; maar in de trein terug naar huis laat ik mijn Nederlands even afspoelen door een dichter.

Er is ook een enorme rijkdom aan Nederlandse dichters – alleen al het vorig jaar zijn er zeker drie bundels verschenen waarin gedichten staan die je uit je hoofd zou moeten leren (‘Vrede met mensen en verstrengeling‘, ‘De naald gezet, de bovenarm gebet‘, ‘Vlees vreten, vreeseter, je vale honger / ledigen met vlees, een vleziger leegte‘), en die productie is nu al honderden jaren bezig. Er ligt een enorme rijkdom aan prachtig Nederlands en het kost bijna niets om er uit te scheppen.

Ik weet natuurlijk ook wel dat er miljarden mensen zijn die een heel prettig en rijk gevuld leven leiden zonder ooit een dichtregel te lezen, laat staan er één uit hun hoofd te leren. Maar ik geloof ook dat er nog miljarden zijn van wie het leven wel degelijk verrijkt kan worden wanneer ze ’s nachts, wanneer ze niet kunnen slapen vanwege de financiële crisis, tegen zichzelf kunnen mompelen ‘Komt een duif van honderd pond / een olijfboom in zijn klauwen / bij mijn oren met zijn mond‘.

Wat, oh wat, kunnen we doen om dit meer te laten zijn dan een ideetje van de Dichter des Vaderlands? Om het iets dichter bij de werkelijkheid te brengen?