Indien ‘als’ te gewoontjes is … (worsteling met wanneer)

Door Hans Aniba


“Als ik thuiskom na mijn werk, drink ik meestal een glas bier. Als we honger krijgen, gaan mijn vrouw en ik naar de keuken en maken we het eten klaar. Als alles klaar is, dekken we de tafel; we scheppen onze borden vol en beginnen te eten. Als we klaar zijn met eten, ruim ik meestal de tafel af en doe ik alles in de afwasmachine. Als we een paar uur later naar bed gaan, is alles lekker schoon. Als we eenmaal liggen, probeer ik vaak nog wat te lezen, maar meestal val ik al snel in slaap.“

Geen bloedstollend proza – ik geef het toe. Tamelijk lelijk bovendien, met al dat ge-als. Maar volkomen natuurlijk, authentiek en adequaat als beschrijving van iemands avondroutine.
Je hoort het oom Bob (de borderline autist van de familie) als het ware opzeggen ter gelegenheid van de verjaardag van neef Henk. Voor de vijftigste keer. Terwijl de andere aanwezigen zachtjes wegdoezelen, of de kamer stiekem verlaten, of wanhopig trachten van de monoloog een gesprek te maken, bij voorkeur over een heel ander onderwerp – maakt niet uit wat …

Maar wat nu als oom Bob als volgt leegloopt?

“Wanneer ik thuiskom na mijn werk, drink ik doorgaans een glas port. Wanneer wij honger krijgen, gaan mijn echtgenote en ik naar de keuken en bereiden wij het diner. Wanneer alles klaar is, dekken wij de tafel; wij scheppen onze borden vol en beginnen te eten. Wanneer wij klaar zijn met eten, ruim ik meestal de tafel af en deponeer ik een en ander in de afwasmachine. Wanneer wij ons een paar uur later ter sponde begeven, is alles heerlijk proper. Wanneer wij eenmaal liggen, tracht ik dikwijls nog wat te lezen, maar meestal word ik al snel door slaap overmand.”

Nu schrikt iedereen wakker! Wat is er gebeurd? Heeft Bob ondanks zijn probleempje een spectaculaire serie promoties gemaakt en zit hij nu in de raad van bestuur van De Nederlandsche Bank? Heeft hij iets veel sterkers gebruikt dan bier of port? Is hij in de ban geraakt van de vroeg achttiende-eeuwse poëzie? Of heeft hij wellicht kennis gekregen aan een voormalig hofdame van Hare Majesteit?

Want zo werkt het voegwoord ‘wanneer’ in onze geliefde moedertaal. Het kán. Het bestaat en het wordt zelfs tamelijk vaak gebruikt. Maar dan toch vooral op papier en/of als we de (zogenaamd zeer on-Nederlandse) aanvechting krijgen om eens een keertje niet ‘gewoon te doen’. Voor als ons ‘gewoon’ bij hoge uitzondering niet gek genoeg is, zeg maar … En dat is kennelijk steeds vaker het geval. Stak dit ‘deftige wanneer’ vroeger vooral de voorname kop op in politieke redevoeringen, bij prijsuitreikingen en grafredes, deze eeuw hoor je het ook in televisiecommercials en is het te lezen in bijsluiters en andere gebruiksaanwijzingen.

Ik verdien een deel van mijn dagelijks brood door buitenlanders wegwijs te maken in het Nederlands. Soms valt dat mee, soms ook helemaal niet. De meeste van mijn cursisten spreken Engels, sommigen zijn zelfs van huis uit Engelstalig. In de meeste boekjes voor beginners wordt ‘wanneer’ tegenwoordig gelukkig exclusief gebruikt als vraagwoord (Wanneer vertrekt de bus naar Ter Apel ?) en komen talrijke zinnen voor met het alledaagse voegwoord ‘als’ (dat overigens niet alleen het eenvoudige broertje is van het ‘deftige wanneer’ maar tot overmaat van ramp ook van dat andere stadhuiswoord …. ‘indien’ – maar dit terzijde). Zodra men echter toe is aan de boekjes voor halfgevorderden, struikelt men als het ware over het chique w-woord. Dit tot grote opluchting van velen want, zeg nou zelf: van when naar wanneer, dat is te overzien. Dat ligt lekkerder op de lip dan dat exotische ‘als’. En ook de Duitstaligen maken een vrolijk dansje, want in hun taal is ‘als’ het equivalent van ons voegwoord ‘toen’ (het verleden-tijd-neefje van als en wanneer). En niets maakt bij het leren van een nieuwe taal zo duizelig als dit soort tijdsverwarring

Toch wil ik niet dat mijn cursisten in het Nederlands gaan klinken als uncle Bob on LSD. Wat te doen? Goede raad is duur …

Het is hier dat ik – nota bene sinds jaar en dag behept met een mild republikeinse gezindheid – nu en dan onze vorstin van stal haal. Nee, dat klinkt te weinig respectvol … dat ik af en toe Koningin Beatrix gebruik om … Stop! Dat is nog erger …

Het is hier dat ik soms, met een knipoog natuurlijk, het onderscheid maak tussen mijn Nederlands en dat van de Koningin. Zo van: zij zegt ‘wanneer’, ik zeg ‘als’; zij zegt ‘echter’, ik zeg ‘maar’; zij zegt ‘vrijwel’, ik zeg ‘bijna’; zij zegt ‘enkele’ of ‘enige’, ik zeg ‘een paar’ – en ga zo maar door … (want als je je er een beetje in verdiept, blijkt er in ons polderland een hele parallelle taaldimensie te bestaan; eng eigenlijk wel …) Ik leg het er natuurlijk dik op want dat moet bij onderwijs. Maar hoe dan ook: het werkt. Er wordt gelachen, men krijgt geleidelijk aan gevoel voor register en – verdraaid – er wordt bij het vrij spreken ineens een stuk minder gewanneerd. Victorie!
Met die knipoog moet je nog uitkijken trouwens, want die betekent lang niet overal hetzelfde, heb ik inmiddels begrepen. Maar daarover misschien een andere keer …

Hans Aniba is docent NT2 en NT1 voor o.a. het Academisch Talencentrum en de afdeling Dutch Studies van de Universiteit Leiden en directeur/eigenaar TAALTRAINING.NL)