Die oude Roman had toch gelijk!

Door Marc van Oostendorp.  

Eindelijk, eindelijk weten we waarom tongbrekers moeilijk zijn uit te spreken! Omdat de klanken teveel op elkaar lijken. Wanneer je het persbericht van Nature leest over een artikel dat vorige week in dat gezaghebbende blad verscheen, zou je denken dat er weer iets volkomen triviaals is ontdekt in de laboratoria: ‘Sally sells seashells’ is moeilijk uit te spreken omdat s en sh dicht bij elkaar liggen. Nee, daar hoef je niemand voor onder de scanner te leggen om het uit te vinden.

Wat het persbericht niet meldt is dat het artikel veel interessanter is dan dat: er is een geheel nieuw soort bewijs gevonden voor een theorie uit 1941 van Roman Jakobson, terwijl inmiddels vrijwel alle taalkundigen aannemen dat die te simplistisch was.

In 1941 publiceerde Jakobson een boekje waarin hij enkele revolutionaire claims deed. Hij liet zien dat je de volgorde waarin kinderen de klanken van hun moedertaal kon spiegelen in de volgorde waarin afatische patiënten klanken verliezen: de klanken die je het eerst leert (de [a] bijvoorbeeld, en de [p]) blijven ook bij een ernstige hersenaandoening het langst behouden, terwijl de klanken die kinderen laat leren (de [y] en de [r]) ook snel verdwijnen. Bovendien spiegelen deze zaken zich ook nog eens in de taaltypologie: klinkers die kinderen vroeg leren zijn ook de klinkers die in de meeste talen voorkomen. Alle talen hebben een [a] en een [t], maar niet alle talen hebben een [y].

Jakobson liet ook zien hoe je dat alles kon begrijpen door aan te nemen dat klinkers en medeklinkers niet de kleinste bouwsteentjes van de taal zijn in ons hoofd. Hoe die spraakklanken namelijk zelf zijn opgebouwd uit kleinere eenheden, die hij kenmerken noemde. Die kenmerken zijn als kleine instructies aan de spraakorganen. Een zo’n kenmerk is bijvoorbeeld [nasaal]: alle klanken die gemaakt worden door lucht door de neus te laten stromen (zoals de m en de n of de klinkers in het Franse bon vin) hebben zo’n kenmerk.

Volgens Jakobsons theorie zijn klinkers en medeklinkers dus niet de atomen van taal, maar moleculen, die zelf als je goed kijkt opgebouwd zijn uit de échte atomen, de kenmerken. Sommige klanken hebben nu relatief weinig kenmerken (ik geef eerlijk gezegd nu een iets gemoderniseerde interpretatie van Jakobsons idee, maar in de kern zat het er bij hem al in) en anderen hebben er meer. De [m] is bijvoorbeeld hetzelfde als de [p], behalve dat hij een kenmerk [nasaal] heeft ([m] = [p]+[nasaal]).

Die simpele klanken kun je het makkelijkst leren en zijn bovendien het meest robuust. Bovendien: als een taal een complexe klank heeft, heeft het ook de simpele. (Als een taal een [m] heeft, heeft ze ook een [p]).

Jakobson baseerde zijn gedachte onder andere op eigentijdse theorieën over communicatie, die zeiden dat taalklanken elegant en simpel werden opgeslagen. De laatste jaren zijn taalkundigen dat anders zijn gaan zien: veel collega’s gaan ervan uit dat we taalklanken allemaal simpelweg opslaan zoals we ze gehoord hebben. Het brein is een heel grote mp3-speler waarop we iedere keer dat we iemand hond horen zeggen een precieze opname maken. Als we dat woord dan zelf willen zeggen, kiezen we een willekeurige opname uit de database, of een statistisch gemiddelde, en spreken die vorm uit. Bovendien was er veel kritiek op de wankele basis waarop Jakobson zijn theorie baseerde – er waren in zijn tijd nog niet genoeg systematische gegevens over kindertaal en bijna geen over afasie.

Het artikel uit Nature laat nu op een ingenieuze manier zien dat er toch wat in de theorie van Jakobson moet zitten. Wanneer Amerikanen in een hersenscanner allerlei lettergrepen uitspreken, lichten er allerlei hersengebiedjes op. Bij nadere bestudering blijkt dat de voorspellingen van Jakobsons theorie vrij precies kloppen (Jakobson wordt zelf overigens niet geciteerd – wel recentere samenvattingen van het onderzoek uit zijn programma, zoals een artikel van John McCarthy uit 1988).

De productie van iedere klank gaat gepaard met het oplichten van een aantal gebiedjes die vrij precies corresponderen met het soort fonologische kenmerken dat je uit Jakobsons theorie zou verwachten. Bij de productie van zowel de [p] als de [u] duikt bijvoorbeeld het kenmerk [labiaal] op: de lippen spelen bij allebei een cruciale rol – ook al zijn er overigens heel verschillende lipspieren bij betrokken.

De verklaring van de tongbrekers volgt hier ook uit: de [s] en de [ʃ] (sh) lijken in termen van kenmerken inderdaad veel op elkaar. Maar die bevinding is volgens mij dus eigenlijk de minste.