I’m a social-democrat

Het wonderlijkste taalverschijnsel van onze tijd is hoe groot en machtig het Engels wordt, en hoe weinig daarover gediscussieerd wordt.

Nog nooit in de wereldgeschiedenis heeft enige taal zo’n sterke positie gehad – je hoort er eigenlijk nooit iemand over, het wordt gezien als een natuurverschijnsel. Maar het gebeurt.

De nieuwe voorzitter van de Eurogroep, Jeroen Dijsselbloem, sprak gisteren de zuid-Europese landen toe, en deed dat volgens het verslag in de Volkskrant in het Engels (‘I’m a social-democrat’), terwijl er slechts één euroland is waarin het Engels de officiële taal is, Ierland, en dat ligt niet in het zuiden.


Het is niet mijn bedoeling om Dijsselbloem te bekritiseren om dat interview. Ik gebruik zelf bijna iedere dag Engels, en ik zie er de voordelen van in. Maar opvallend is het wel: een sociaal verschijnsel dat zo zonder enige politieke discussie almaar voort kan schrijden.

De Nederlandse socioloog Bram de Swaan beschouwt talen als een bijzondere vorm van economisch goed, vergelijkbaar met socialemediasites (hij maakt die vergelijking niet, dat doe ik): hoe meer mensen Facebook gebruiken, des te aantrekkelijker het is voor andere mensen om ook op Facebook te gaan. Er zijn honderden alternatieven, die misschien mooier zijn vormgegeven, prettiger in het gebruik zijn en aantrekkelijke privacywetgeving hanteren — maar zij verliezen het omdat er te weinig mensen op zitten; en dat is een zichzelf versterkend effect.

Het is logisch om te denken dat talen ook zo werken. Wanneer je een vreemde taal moet leren en je hebt daarbij de keuze tussen Chinees en de taal van een kleine stam in Nieuw-Guinea, kiezen de meeste mensen voor het Chinees, want daar heb je meer aan: je hebt meer gesprekspartners, je kunt meer boeken lezen, je kunt naar meer films kijken.

De uitkomst van zo’n proces is onvermijdelijk dat er uiteindelijk maar één taal of één sociaal netwerk overblijft: dat wordt dan de absolute standaard, het Facebook onder de talen.
Of die redenering per se klopt, weet ik niet. Zou het Engels niet ook ooit een crisis kunnen doormaken zoals de euro nu omdat de mensen er niet meer in geloven? En gaan social-democrats daar dan iets aan doen?

Dezelfde Bram de Swaan heeft mij weleens gesuggereerd dat we op het Meertens Instituut eigenlijk een soort dijkwacht zouden moeten installeren: wat onderzoekers die af en toe langs de dijken van het Nederlands fietsen om te kijken of er ergens zwakke plekken aan het ontstaan zijn, waar het Engels doorheen begint te sijpelen of waar je zelfs op termijn een doorbraak zou kunnen verwachten. Wij hebben dat nooit gedaan – niemand doet het (ook de Nederlandse Taalunie niet, die misschien een logischer uitvoerder zou zijn voor zo’n taak).

Nogmaals, ik denk niet dat er reden is voor zorg; het zal vast wel loslopen allemaal. Er is wel reden voor verbazing: waarom is er zo weinig zorg, zo weinig protest? De clubjes die tegen het Engels strijden zijn allemaal marginaal en onbelangrijk. Waarom is dat zo? Wat zegt het over onze samenleving?