De inheemse talenknobbel

In sommige delen van de wereld is het gangbaar dat mensen vier-, vijf- of nogmeertalig zijn. Ik herinner me voorbeelden uit Noord-Australië en Kameroen, maar ook in sommige andere gebieden waar veel kleine talen op een kluitje zitten zal het wel voorkomen, zoals in grote delen van Afrika en Nieuw-Guinea. Een interessante vraag is dan: hoe kan het dat die mensen een prestatie leveren die voor de meeste westerlingen bijna onvoorstelbaar is? En ook: leveren ze die prestatie eigenlijk wel?

In Europa spreken de meeste mensen alleen maar hun moedertaal en Engels, en als Engels hun moedertaal is, spreken ze er (dus) maar één. Drietaligheid komt ook voor, maar onder een minderheid (tenzij we een rudimentaire vaardigheid al meetellen). Meer-dan-drietaligheid is uitzonderlijk.

In Noord-Australië komen veel
 taalfamilies voor, die elk weer uit
meerdere, steevast kleine talen bestaan.
Is de situatie in die Afrikaanse, Australische enzovoort gebieden wezenlijk anders? In een aantal opzichten zeker wel. Als je in je dagelijks leven meerdere talen nodig hebt, dan leer je die wel spreken. (Over lezen en schrijven heb ik het hier niet; de meeste talen worden nauwelijks geschreven.) Maar hoe goed? Ik kan me drie modellen voorstellen, en ik heb werkelijk geen idee welk daarvan de werkelijkheid het best of het vaakst benadert.

Model 1. De inheemse polyglotten komen al op jonge leeftijd met diverse talen in aanraking en leren die ook. Ze worden daardoor erg goed in het leren van talen – veel beter dan de meesten van ons – en besteden bovendien relatief veel van hun tijd en aandacht aan deze taak. Uiteindelijk torenen hun taalvermogens  gemiddeld ver boven de onze uit – sowieso in vreemde talen, maar wie weet zelfs ook in hun moedertaal.
Model 2.  Ze leren diverse talen, maar de meeste daarvan zijn vrij nauw verwant aan hun moedertaal, zodat de ‘leerlast’ niet al te groot is. (Dit geldt niet als ze ook een Europese taal als Engels of Frans leren.) Bovendien is de grammatica van niet-geschreven talen weliswaar vaak complex, maar ze hebben een kleiner aantal woorden en veel minder idiomatische uitdrukkingen en vaste woordcombinaties dan talen met een literaire traditie en talrijke gebruiksdomeinen in een complexe samenleving. (Dit laatste is een aanvechtbare stelling – ik ben benieuwd of hier onderzoek naar is gedaan.) Al met al spreken de polyglotten inderdaad meerdere talen goed, maar dit is een minder grote prestatie dan het goed beheersen van hetzelfde aantal talen mét een literaire traditie en veel domeinen, zoals Frans, Hindi of Chinees.
Model 3. Ze spreken hun vreemde talen op een veel lager niveau dan moedertaalsprekers: aanzienlijk kleinere woordenschat, subtiele grammaticale fouten, misschien een afwijkend accent. Ze kunnen dus wel soepel de gesprekken voeren die ze nodig hebben, maar hun ‘opgetelde taalkennis’ (hoe moeilijk dat begrip waarschijnlijk ook te meten valt) is niet per se groter dan die van pakweg een Vlaming die behoorlijk Engels en Frans spreekt. Maar omdat hun gesprekspartners doorgaans op deze zelfde manier meertalig zijn, is men over en weer toleranter voor onvolmaakte taalbeheersing dan we in Europa gewend zijn.
Om verontwaardigde reacties te voorkomen, wil ik nog even benadrukken wat ik allemaal niet beweer. Ik suggereer niet dat schriftloze of kleine of inheemse talen ‘primitief’ zijn. Ik denk niet dat wij, Nederlandstaligen, ze makkelijk zouden kunnen leren – integendeel zelfs. Ik heb ook niet het idee dat ze principieel ongeschikt zouden zijn om als onderwijs- of bestuurstaal te dienen, al zullen ze de daarvoor benodigde woordenschat op dit moment nog niet bezitten. En ik besef ook dat deze talen meer dan genoeg woorden hebben voor allerlei verschijnselen die in hun omgeving relevant zijn, van plantensoorten tot verwantschapsverhoudingen.
Dat gezegd hebbende blijf ik nieuwsgierig of veeltaligheid in Noord-Australië, Kameroen en soortgelijke gebieden een even imposante prestatie is als die van de zeldzame Europeaan die een flink aantal talen goed beheerst (model 1), of dat het met die inheemse talenknobbel zo’n vaart nou toch ook weer niet loopt (model 2 en 3).