Al lezende in Ogier van Denemerken – 14

Al lezende in Ogier van Denemerken – 14 : Wespennest

Amand Berteloot

Nadat Karahen Ogier tot een tweegevecht heeft uitgedaagd en beloofd dat niemand anders zich in het gevecht zal mengen, is Ogier onmiddellijk tot deze strijd bereid. Omdat Charloot voor Ogier niet wil onderdoen, stelt Karahen voor dat hij tegelijkertijd onder dezelfde voorwaarden een tweegevecht met koning Sadoni zal aangaan. Maar Davimont, de zoon van de ammirael Cursabel, is niet bereid zich aan de afspraak tussen de duellanten te houden:

Horent von Davimonden dem payen.
Er wapente sich met zehenhundert man,
Die besten die er gekiesen kan.
Zuschent Rome kam der payen
Umb die herren vechten zu sehen,
Und sin volk was auch da by heimlich. (2993-2999)

Afgezien van een paar kleinigheden verwondert men zich in dit fragment vooral over het aantal van ‘zehenhundert man’. Dat levert, omgezet naar het Mnl. ‘tienhondert’ op. Dit is de eerste vindplaats in OvD voor dit op het eerste gezicht nogal vreemde telwoord, maar het is niet de enige. Men komt het nogmaals tegen in de verzen 3025 en 14841. Hoewel het MNW het niet vermeldt, schijnt het toch geen exclusief woord voor de OvD-dichter te zijn. Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek heeft er twee vindplaatsen voor gevonden (VMNW 4775). De eerste staat in Maerlants Rijmbijbel (vers 19995) en is daar als “.x. ondert” afgekort. De tweede komt voor in een Hollandse oorkonde van 1296 (CG I nr. 1529). Maar ook na de 13de eeuw schijnt dit synoniem voor ‘duizend’ niet helemaal verdwenen te zijn. De CD-rom Middelnederlands levert nog twee verdere vindplaatsen, en wel in het zevende boek van de Brabantsche Yeesten (vers 14637) en in hs. 70 van het Pseudo-Bonaventura-Ludolfiaanse leven van Jezus. In het Mnl. luidde de geciteerde passage vermoedelijk als volgt:

Nu hoort van Davimonde, den payiene.
Hi wapinde hem met tienhondert man,
den besten die hi gekiesen can.
Buten Rome quam die payien
omme die heeren vichten te sien.
Ende sijn volc was daerbi hemeleke. (2993-2999)

Het gevecht duurt heel lang, maar zodra het er voor Karahen en Sadoni slecht begint uit te zien, mengt Davimont hij zich in de strijd:

Dis sahe Davimont der payen,
Schand muße ime gescheen,
Kam geritten mit zehen hundert man.
Also Cherloet dis sahe, flohe er von dan.
Davimont kam
Da die herren hielten,
Er begreiff sin schwert schier
Und schlug uf den Denoys Ogier,
Da er vahte sinen kampf. (3023-3031)

Dit is de tweede passage waarin het telwoord ‘tienhondert’ opduikt. Afgezien van vers 3027 dat duidelijk korter is dan de andere en geen rijmwoord bevat, gaat de reconstructie van de Mnl. tekst zonder veel moeite:

Dit sach Davimont, die payien.
Scande moete hem ghescien.
Hi quam ghereden met tienhondert man.
Alse Charloot dit sach, vlo hi van dan.
Davimont quam met ghewelde
daer die heeren helden.
Hi greep sijn swert scier
ende slouch upten Danoys Ogier,
daer hi vacht sinen camp. (3023-3031)

Het helpt niets dat Karahen daarop als reactie op het verraad van Davimont het kamp wisselt en Ogier bijstaat. Terwijl Charloot het hazenpad kiest, wordt Ogier door Davimont gevangen genomen:

Davimont rieff sinen zechen schier
Und reit mit krafft uf Ogier
Und hat ine mit gewalt gefaen. (3043-3045)

Hier wordt de tekst wat moeilijker. Wat of naar wie roept Davimont in vers 3043? Als we WeNo mogen geloven dan moeten we ‘zechen’ interpreteren als “zehn Hundertschaften”. Davimont roept dus zijn ‘tienhonderd’ begeleiders om Ogier gevangen te nemen. ‘Zechen’ in vers 3043 is volgens WeGl een variant van ‘zehen’, het telwoord ‘tien’ zoals we het in de verzen 2995 en 3025 zijn tegengekomen. Deze spelling voor ‘zehen’ komt volgens WeGl maar één keer in de hele tekst voor.

Erg overtuigend is deze interpretatie niet. Inhoudelijk kan men zich afvragen of Davimont echt duizend man nodig heeft om Ogier gevangen te nemen, maar uit het vervolg van het verhaal blijkt dat Ogier werkelijk sterk is als een beer. Maar het taalkundige aspect weegt zwaarder: hoe komt men bij de betekenis “zehn Hundertschaften” voor ‘zechen’? Als ‘zechen’ al een variant van ‘zehen’ is, dan verklaart dat nog altijd niet waarom het telwoord hier in zijn eentje zonder substantief als object in de zin kan functioneren. Eigenlijk kan dat niet, tenzij we aannemen dat het zelfstandig naamwoord bij het afschrijven vergeten werd. Maar omdat dit substantief na het telwoord ‘tien’ in ieder geval in het meervoud hoort te staan, rijst vervolgens meteen de vraag hoe we dan de vreemde uitgang van het bezittelijk voornaamwoord ‘sinen’ moeten begrijpen. Moeten we dat als een datief meervoud of als een accusatief mannelijk enkelvoud opvatten? Of is ‘zechen’ helemaal geen telwoord?

Dit laatste is zeer waarschijnlijk. Hoewel de regels van de tweede klankverschuiving pas 500 jaar later door de gebroeders Grimm geformuleerd werden, mogen we aannemen dat LuFl na een kleine 3000 verzen afgeschreven te hebben, enig gevoel ontwikkeld had voor een aantal parallellismen tussen het Nederlands en het Duits. Het telwoord ‘zehen’ voor ‘tien’ laat zien dat hij wist dat een ‘t’ aan het begin van een Nederlands woord met ‘ts’ (‘z’ gespeld) in het Duits correspondeert. En dat een ‘k’ in het midden van een woord in het Duits niet zelden tot ‘ch’ muteert, zal hem ook niet ontgaan zijn. Er is dus een goede kans dat ‘zechen’ in vers 2995 eerder Mnl. ‘teken’ dan ‘tien’ representeert. Maar past dat ook in de context?

Het antwoord op deze vraag is positief. We moeten ons de grondbetekenis van het woord ‘teken’ voorstellen als ‘signaal’, zodat een ‘teken’ zowel van visuele als van akoestische aard kon zijn. In onze tekst verschijnt ‘teken’ of ‘tekijn’ gewoonlijk in de betekenis van ‘wapenteken’, ‘herkenningsteken in de strijd’, zo b.v. in de verzen 692-695:

Und iglicher bedeckte mit der vert
Das zeichen von sinem schilte.
Er lobte geruwe und wilde,
Das nyeman wißte wer er were. (692-695)

Deze verzen zijn in fragment B bewaard gebleven. In het Nederlands luiden ze:

Gautier decte ter vaert
Sijn teekijn van sinen scilde.
Hi saghe gherne ende wilde
Dat nie man wiste wie hi ware. (Frag. B, 85-88)

Het woord ‘teken’ in deze visuele betekenis komt in OvD elf keer voor. In de meeste gevallen schijnt LuFl er geen probleem mee gehad te hebben. Hij schrijft acht keer ‘zeichen’ en treft daarmee de spijker op de kop (verzen 58, 693, 1472, 10067, 10334, 17450, 19281 en 22940). Tussendoor wijkt hij drie keer van deze standaardvorm af en spelt ‘techen’ (vers 937), ‘tekyn’ (9944) en ‘tekin’ (9950). De laatste twee gevallen heeft hij duidelijk weer vrijwel letter per letter uit zijn legger afgeschreven. In vers 937 is de ‘k’ tot ‘ch’ geworden maar de ‘t’ onverschoven overgenomen. Van de elf gevallen waarin het woord ‘teken’ in de betekenis ‘visueel signaal’ voorkomt, heeft LuFl er dus acht met zekerheid correct geïdentificeerd. Wat hij bij de overige drie heeft gedacht, is onduidelijk.

Maar een ‘teken’ kan ook akoestisch van aard zijn en dan wordt het door het MNW vertaald als “strijdleus, wapenkreet, krijgsgeschreeuw, parool”. In deze betekenis komt het woord drie keer voor in OvD en wel in de verzen 3043, 3849 en 3856. Het fungeert daar ook telkens als object bij ‘roepen’: “Davimont rieff sinen zechen schier” (3043), “Van noit wegen rief der tegen fier / Sinen tegen” (3848-3849) en “Ammirael rieff sinen tegin” (3856). Uit deze citaten blijkt dat LuFl drie keer een verschillende spelling gebruikt en drie keer het mannelijke genus heeft gekozen, en dat ondanks het feit dat Mnl. ‘teken’ een onzijdig woord is, zodat in zijn legger in alle drie de gevallen ‘sijn teken’ of ‘sijn tekijn’ gestaan moet hebben. Of LuFl begrepen heeft wat er bedoeld werd, daar hebben we het raden naar. Alleen de verzen 3848-3849 leveren door de herhaling van ‘tegen’ een zin en meteen ook een verklaring voor het mannelijke genus op: “Noodgedwongen riep de fiere degen zijn degen”, waarbij ‘degen’ hier beide keren alleen maar ‘strijder, held’ kan betekenen, want een vechtwapen – beide betekenissen staan in het Mittelhochdeutsches Wörterbuch (Lexer I, 414) – kun je niet roepen.

Samenvattend kunnen we wat betreft de omzetting van Mnl. ‘teken’ door LuFl het volgende constateren. Het woord komt veertien keer voor, elf keer in de betekenis ‘visueel signaal’ en drie keer in de betekenis ‘akoestisch signaal’. In de eerste betekenis is LuFl er acht keer in geslaagd het woord correct met ‘zeichen’ weer te geven. De overige keren schreef hij ‘techen’, ‘tekyn’ en ‘tekin’. In de tweede betekenis werden LuFl’s pogingen geen enkele keer met succes bekroond. Hij spelt ‘zechen’, ‘tegin’ en ‘tegen’. De laatste schrijfwijze laat vermoeden dat hij ‘teken’ verward heeft met ‘deghen’ in de betekenis ‘strijder, held’.

Om dit af te ronden kijken we nog even naar wat HiWe hiermee doet. WeGl plaatst ‘zeichen’, ‘tekin’ en ‘techen’, dus alle varianten voor ‘visueel signaal’, op één lijn en vertaalt “Zeichen, Feldzeichen, Parole”. De eerste twee betekenissen zijn correct, de derde is nergens van toepassing maar staat wel in het Mittelhochdeutsches Handwörterbuch (Lexer III, 1046 – 1047). In ieder geval weten we dank zij deze aantekening dat HiWe op de hoogte is van het feit dat het Mhd. woord ‘zeichen’ ook een akoestisch signaal kan aanduiden. Desondanks heeft hij de drie vindplaatsen, waar het woord werkelijk deze betekenis heeft, niet opgemerkt. Hij laat zich door LuFl om de tuin leiden en vertaalt ‘zechen’ in vers 3043 als ‘tien’ (zie boven), ‘tegen’ in vers 3849 evenals ‘tegin’ in vers 3856 als “Krieger, Held, Ritter”.

Onze overwegingen bij LuFl’s weergave van het Mnl. woord ‘teken’ werden door twee andere woorden doorkruist: het telwoord ‘tien’ en het substantief ‘degen’. Net zoals bij het geval ‘wreken’, waar we een overlap met het werkwoord ‘fragen’ hebben vastgesteld (zie Al Lezende 11 – Wraak (2)), is dit reden genoeg om na te gaan of er eventueel nog meer gevallen zijn waarin LuFl deze woorden door elkaar gehaald heeft. Zie hier het resultaat:

Mnl. ‘teken / tekijn’ (‘signaal’) komt 14 keer voor. LuFl schrijft acht keer ‘zeichen’ en telkens één keer ‘techen’, ‘tegen’, ‘tegin’, ‘tekin’, ‘tekyn’ en ‘zechen’.

Mnl. ‘tien’ (telwoord) komt 60 keer voor. LuFl schrijft 54 keer ‘zehen’, twee keer ‘zene’ en telkens één keer ‘zeen’, ‘zeyne’ en ‘ziene’. De laatste vier varianten staan overal in rijmpositie.

Mnl. ‘deghen’ (‘held, krijger’) komt 82 keer voor. LuFl schrijft 81 keer ‘tegen’. Er is één twijfelgeval. In vers 5464 van de editie-Weddige staet ‘doeghen’. Omgekeerd correspondeert Dt. ‘tegene’ één keer met het Mnl. werkwoord ‘toghen’ (vers 4189).

Het verrassende aan deze cijfers is dat er op een totaal van 156 onderzochte vindplaatsen slechts één enkel geval van overlap te vinden is, nl. ‘tegen’ in vers 3849 dat zowel met Mnl. ‘teken’ als met Mnl. ‘deghen’ correspondeert. En dit heeft duidelijk te maken met het feit dat LuFl noch het Mnl. woord ‘teken’ noch het Mhd. equivalent ‘zeichen’ met een strijdleuze in verband heeft gebracht. Mogen we daaruit besluiten dat deze betekenis in het Mhd. in de tweede helft van de 15de eeuw obsoleet geworden was?

Afgezien van de genoemde woorden kunnen we nog twee kleine gevallen van overlap vaststellen. Het telwoord ‘zehen’ is identiek aan een vindplaats voor Mnl. ‘tiën’ (‘trekken’, vers 359) en zijn variant ‘zene’ zou met het substantief ‘zene’ (‘tanden’) verwisseld kunnen worden wanneer beide door hun syntactische functie niet overduidelijk van elkaar onderscheiden waren. Het blijkt dus dat de Mnl. woorden ‘tien’, ‘teken’, ‘degen’, ‘tiën’ en ‘tanden’ voor LuFl een gevaarlijk cluster vormden, waarin wel eens verwisselingen konden optreden, een wespennest van interferenties dus.

De belangrijkste conclusie uit dit overzichtje is dat de variantenlijst laat zien dat er geen enkele reden is om ‘zechen’ in vers 3043 met het telwoord ‘tien’ te identificeren, zoals HiWe dat in zijn commentaar bij vers 3043 doet. De reconstructie van de geciteerde verzen luidt dus:

Davimont riep sijn tekijn scier
ende reet met crachte up Ogier
ende heeft hem met ghewelt ghevaen. (3043-3045)

Bibliografie

CG I: Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) uitgegeven door Maurits Gysseling m.m.v. en van woordindices voorzien door Willy Pijnenburg. Reeks I: Ambtelijke bescheiden. ‘s-Gravenhage 1977 [Bouwstoffen voor een woordarchief van de Nederlandse taal].

Brock, januari 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.